 |
 |
|
|
|
 |
| |
| | Statenvertaling 1750 |  | |  | | | | | Jos 12:1 | Dit nu zijn de koningen des lands, die de kinderen Israels geslagen hebben, en hun land erfelijk bezaten, aan gene zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon; van de beek Arnon af tot den berg Hermon, en het ganse vlakke veld tegen het oosten:
| | | | Jos 12:2 | Sihon, de koning der Amorieten, die te Hesbon woonde; die van Aroer af heerste, welke aan den oever der beek Arnon is, en over het midden der beek en de helft van Gilead, en tot aan de beek Jabbok, de landpale der kinderen Ammons;
| | | | Jos 12:3 | En over het vlakke veld tot aan de zee van Cinneroth tegen het oosten, en tot aan de zee des vlakken velds, de Zoutzee, tegen het oosten, op den weg naar Beth-jesimoth; en van het zuiden beneden Asdoth-pisga.
| | | | Jos 12:4 | Daartoe de landpale van Og, den koning van Bazan, die van het overblijfsel der reuzen was, wonende te Astharoth en te Edrei.
| | | | Jos 12:5 | En heerste over den berg Hermon, en over Salcha, en over geheel Bazan, tot aan de landpale der Gezurieten, en der Maachathieten; en de helft van Gilead, de landpale van Sihon, den koning van Hesbon.
| | | | Jos 12:6 | Mozes, de knecht des HEEREN, en de kinderen Israels sloegen hen, en Mozes, de knecht des HEEREN, gaf aan de Rubenieten en aan de Gadieten, en aan den halven stam van Manasse, dat land tot een erfelijke bezitting.
| | | | Jos 12:7 | Dit nu zijn de koningen des lands, die Jozua sloeg, en de kinderen Israels, aan deze zijde van de Jordaan tegen het westen, van Baal-gad aan, in het dal van den Libanon, en tot aan den kalen berg, die naar Seir opgaat; en Jozua gaf het aan de stammen Israels tot een erfelijke bezitting, naar hun afdelingen.
| | | | Jos 12:8 | Wat op het gebergte, en in de laagte, en in het vlakke veld, en in de aflopingen der wateren, en in de woestijn, en tegen het zuiden was: de Hethieten, de Amorieten, en Kanaanieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten.
| | | | Jos 12:9 | De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-el is, een;
| | | | Jos 12:10 | De koning van Jeruzalem, een; de koning van Hebron, een;
| | | | Jos 12:11 | De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een;
| | | | Jos 12:12 | De koning van Eglon, een; de koning van Gezer, een;
| | | | Jos 12:13 | De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;
| | | | Jos 12:14 | De koning van Horma, een; de koning van Harad, een;
| | | | Jos 12:15 | De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een;
| | | | Jos 12:16 | De koning van Makkeda, een; de koning van Beth-el, een;
| | | | Jos 12:17 | De koning van Tappuah, een; de koning van Hefer, een;
| | | | Jos 12:18 | De koning van Afek, een; de koning van Lassaron, een;
| | | | Jos 12:19 | De koning van Madon, een; de koning van Hazor, een;
| | | | Jos 12:20 | De koning van Simron-meron, een; de koning van Achsaf, een;
| | | | Jos 12:21 | De koning van Taanach, een; de koning van Megiddo, een;
| | | | Jos 12:22 | De koning van Kedes, een, de koning van Jokneam, aan den Karmel, een;
| | | | Jos 12:23 | De koning van Dor, tot Nafath-dor, een; de koning der heidenen te Gilgal, een;
| | | | Jos 12:24 | De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig.
| | |  |
|
|
|  |