| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Gal 4:1 | Doch ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles;
| |
| | Gal 4:2 | Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld.
| |
| | Gal 4:3 | Alzo wij ook, toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld.
| |
| | Gal 4:4 | Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet;
| |
| | Gal 4:5 | Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.
| |
| | Gal 4:6 | En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!
| |
| | Gal 4:7 | Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.
| |
| | Gal 4:8 | Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen, die van nature geen goden zijn;
| |
| | Gal 4:9 | En nu, als gij God kent, ja, veelmeer van God gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen?
| |
| | Gal 4:10 | Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren.
| |
| | Gal 4:11 | Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan u gearbeid heb.
| |
| | Gal 4:12 | Weest gij als ik, want ook ik ben als gij; broeders, ik bid u; gij hebt mij geen ongelijk gedaan.
| |
| | Gal 4:13 | En gij weet, dat ik u door zwakheid des vleses het Evangelie de eerste maal verkondigd heb;
| |
| | Gal 4:14 | En mijn verzoeking, die in mijn vlees geschiedde, hebt gij niet veracht noch verfoeid; maar gij naamt mij aan als een engel Gods, ja, als Christus Jezus.
| |
| | Gal 4:15 | Welke was dan uw gelukachting? Want ik geef u getuigenis, dat gij, zo het mogelijk ware, uw ogen zoudt uitgegraven, en mij gegeven hebben.
| |
| | Gal 4:16 | Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende?
| |
| | Gal 4:17 | Zij ijveren niet recht over u; maar zij willen ons uitsluiten, opdat gij over hen zoudt ijveren.
| |
| | Gal 4:18 | Doch in het goede te allen tijd te ijveren is goed, en niet alleenlijk, als ik bij u tegenwoordig ben;
| |
| | Gal 4:19 | Mijn kinderkens, die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge.
| |
| | Gal 4:20 | Doch ik wilde, dat ik nu tegenwoordig bij u ware, en mijn stem mocht veranderen; want ik ben in twijfel over u.
| |
| | Gal 4:21 | Zegt mij, gij, die onder de wet wilt zijn, hoort gij de wet niet?
| |
| | Gal 4:22 | Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, een uit de dienstmaagd, en een uit de vrije.
| |
| | Gal 4:23 | Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis;
| |
| | Gal 4:24 | Hetwelk dingen zijn, die andere beduiding hebben; want deze zijn de twee verbonden; het ene van den berg Sina, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Agar;
| |
| | Gal 4:25 | Want dit, namelijk Agar, is Sina, een berg in Arabie, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen.
| |
| | Gal 4:26 | Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder.
| |
| | Gal 4:27 | Want er is geschreven: Wees vrolijk, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, gij, die geen barensnood hebt, want de kinderen der eenzame zijn veel meer, dan dergene, die den man heeft.
| |
| | Gal 4:28 | Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Izak was.
| |
| | Gal 4:29 | Doch gelijkerwijs toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde dengene, die naar den Geest geboren was, alzo ook nu.
| |
| | Gal 4:30 | Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije.
| |
| | Gal 4:31 | Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der vrije.
| |