| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | 1Cr 16:1 | Aangaande nu de verzameling, die voor de heiligen geschiedt, gelijk als ik aan de Gemeenten in Galatie verordend heb, doet ook gij alzo.
| |
| | 1Cr 16:2 | Op elken eersten dag der week, legge een iegelijk van u iets bij zichzelven weg, vergaderende een schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet eerst geschieden, wanneer ik gekomen zal zijn.
| |
| | 1Cr 16:3 | En wanneer ik daar zal gekomen zijn, zal ik hen, die gij zult bekwaam achten door brieven, zenden, om uw gave naar Jeruzalem over te dragen.
| |
| | 1Cr 16:4 | En indien het der moeite waardig mocht zijn, dat ik ook zelf reizen zou, zo zullen zij met mij reizen.
| |
| | 1Cr 16:5 | Doch ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonie zal doorgegaan zijn, (want ik zal door Macedonie gaan)
| |
| | 1Cr 16:6 | En ik zal mogelijk bij u blijven, of ook overwinteren, opdat gij mij moogt geleiden, waar ik zal henenreizen.
| |
| | 1Cr 16:7 | Want ik wil u nu niet zien in het voorbijgaan, maar ik hoop enigen tijd bij u te blijven, indien het de Heere zal toelaten.
| |
| | 1Cr 16:8 | Maar ik zal te Efeze blijven tot den pinkster dag.
| |
| | 1Cr 16:9 | Want mij is een grote en krachtige deur geopend, en er zijn vele tegenstanders.
| |
| | 1Cr 16:10 | Zo nu Timotheus komt, ziet, dat hij buiten vreze bij u zij; want hij werkt het werk des Heeren, gelijk als ik.
| |
| | 1Cr 16:11 | Dat hem dan niemand verachte; maar geleidt hem in vrede, opdat hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broederen.
| |
| | 1Cr 16:12 | En wat aangaat Apollos, den broeder, ik heb hem zeer gebeden, dat hij met de broederen tot u komen zou; maar het was ganselijk zijn wil niet, dat hij nu zou komen; doch hij zal komen, wanneer het hem wel gelegen zal zijn.
| |
| | 1Cr 16:13 | Waakt, staat in het geloof, houdt u mannelijk, zijt sterk.
| |
| | 1Cr 16:14 | Dat al uw dingen in de liefde geschieden.
| |
| | 1Cr 16:15 | En ik bid u, broeders, gij kent het huis van Stefanas, dat het is de eersteling van Achaje, en dat zij zichzelven den heiligen ten dienst hebben geschikt;
| |
| | 1Cr 16:16 | Dat gij ook u aan de zodanigen onderwerpt, en aan een iegelijk, die medewerkt en arbeidt.
| |
| | 1Cr 16:17 | En ik verblijde mij over de aankomst van Stefanas, en Fortunatus, en Achaikus, want dezen hebben vervuld hetgeen mij aan u ontbrak;
| |
| | 1Cr 16:18 | Want zij hebben mijn geest verkwikt, en ook den uwen. Erkent dan de zodanigen.
| |
| | 1Cr 16:19 | U groeten de Gemeenten van Azie. U groeten zeer in den Heere Aquila en Priscilla, met de Gemeente, die te hunnen huize is.
| |
| | 1Cr 16:20 | U groeten al de broeders. Groet elkander met een heiligen kus.
| |
| | 1Cr 16:21 | De groetenis met mijn hand van Paulus.
| |
| | 1Cr 16:22 | Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maran-atha!
| |
| | 1Cr 16:23 | De genade van den Heere Jezus Christus zij met u.
| |
| | 1Cr 16:24 | Mijn liefde zij met u allen in Christus Jezus. Amen.
| |