All NT OTBook
Compare Texts
Romans 1 1 Corinthians 10

1 Corinthians 11:1-34

1 Corinthians 12 2 Corinthians 1

Statenvertaling 1750

 
 
 
1Cr 11:1
 
Weest mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus.  
 
1Cr 11:2
 
En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb.  
 
1Cr 11:3
 
Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus.  
 
1Cr 11:4
 
Een iegelijk man, die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd;  
 
1Cr 11:5
 
Maar een iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is een en hetzelfde, alsof haar het haar afgesneden ware.  
 
1Cr 11:6
 
Want indien een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn, of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke.  
 
1Cr 11:7
 
Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans.  
 
1Cr 11:8
 
Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit den man.  
 
1Cr 11:9
 
Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man.  
 
1Cr 11:10
 
Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, om der engelen wil.  
 
1Cr 11:11
 
Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, in den Heere.  
 
1Cr 11:12
 
Want gelijkerwijs de vrouw uit den man is, alzo is ook de man door de vrouw; doch alle dingen zijn uit God.  
 
1Cr 11:13
 
Oordeelt gij onder uzelven: is het betamelijk, dat de vrouw ongedekt God bidde?  
 
1Cr 11:14
 
Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is?  
 
1Cr 11:15
 
Maar zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is; omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven?  
 
1Cr 11:16
 
Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonten niet, noch de Gemeenten Gods.  
 
1Cr 11:17
 
Dit nu, hetgeen ik u aanzegge, prijs ik niet, namelijk dat gij niet tot beter, maar tot erger samenkomt.  
 
1Cr 11:18
 
Want eerstelijk, als gij samenkomt in de Gemeente, zo hoor ik, dat er scheuringen zijn onder u; en ik geloof het ten dele;  
 
1Cr 11:19
 
Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u.  
 
1Cr 11:20
 
Als gij dan bijeen samenkomt, dat is niet des Heeren avondmaal eten.  
 
1Cr 11:21
 
Want in het eten neemt een iegelijk te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de andere is dronken.  
 
1Cr 11:22
 
Hebt gij dan geen huizen, om er te eten en te drinken? Of veracht gij de Gemeente Gods, en beschaamt gij degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In dezen prijs ik u niet.  
 
1Cr 11:23
 
Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam;  
 
1Cr 11:24
 
En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.  
 
1Cr 11:25
 
Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis.  
 
1Cr 11:26
 
Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.  
 
1Cr 11:27
 
Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren.  
 
1Cr 11:28
 
Maar de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood, en drinke van den drinkbeker.  
 
1Cr 11:29
 
Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.  
 
1Cr 11:30
 
Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen.  
 
1Cr 11:31
 
Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden.  
 
1Cr 11:32
 
Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.  
 
1Cr 11:33
 
Zo dan, mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, verwacht elkander.  
 
1Cr 11:34
 
Doch zo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet tot een oordeel samenkomt. De overige dingen nu zal ik verordenen, als ik zal gekomen zijn.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Romans 11 Corinthians 101 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 1 Corinthians 122 Corinthians 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards