All NT OTBook
Compare Texts
Luke 1 John 3

John 4:1-54

John 5 Acts 1

Statenvertaling 1750

 
 
 
Jhn 4:1
 
Als dan de Heere verstond, dat de Farizeen gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes;  
 
Jhn 4:2
 
(Hoewel Jezus zelf niet doopte, maar Zijn discipelen),  
 
Jhn 4:3
 
Zo verliet Hij Judea, en ging wederom heen naar Galilea.  
 
Jhn 4:4
 
En Hij moest door Samaria gaan.  
 
Jhn 4:5
 
Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk land, hetwelk Jakob zijn zoon Jozef gaf.  
 
Jhn 4:6
 
En aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat alzo neder nevens de fontein. Het was omtrent de zesde ure.  
 
Jhn 4:7
 
Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken.  
 
Jhn 4:8
 
(Want Zijn discipelen waren heengegaan in de stad, opdat zij zouden spijze kopen.)  
 
Jhn 4:9
 
Zo zeide dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert Gij, Die een Jood zijt, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen.  
 
Jhn 4:10
 
Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zoude u levend water gegeven hebben.  
 
Jhn 4:11
 
De vrouw zeide tot Hem: Heere! Gij hebt niet om mede te putten, en de put is diep; van waar hebt Gij dan het levend water?  
 
Jhn 4:12
 
Zijt Gij meerder dan onze vader Jakob, die ons den put gegeven heeft, en hijzelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen en zijn vee?  
 
Jhn 4:13
 
Jezus antwoordde, en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten;  
 
Jhn 4:14
 
Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.  
 
Jhn 4:15
 
De vrouw zeide tot Hem: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten.  
 
Jhn 4:16
 
Jezus zeide tot haar: Ga heen, roep uw man, en kom hier.  
 
Jhn 4:17
 
De vrouw antwoordde en zeide: Ik heb geen man. Jezus zeide tot haar: Gij hebt wel gezegd: Ik heb geen man.  
 
Jhn 4:18
 
Want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt, is uw man niet; dat hebt gij met waarheid gezegd.  
 
Jhn 4:19
 
De vrouw zeide tot Hem: Heere, ik zie, dat Gij een profeet zijt.  
 
Jhn 4:20
 
Onze vaders hebben op dezen berg aangebeden; en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden.  
 
Jhn 4:21
 
Jezus zeide tot haar: Vrouw, geloof Mij, de ure komt, wanneer gijlieden, noch op dezen berg, noch te Jeruzalem, den Vader zult aanbidden.  
 
Jhn 4:22
 
Gijlieden aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden.  
 
Jhn 4:23
 
Maar de ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzo aanbidden.  
 
Jhn 4:24
 
God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.  
 
Jhn 4:25
 
De vrouw zeide tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt (Die genaamd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen.  
 
Jhn 4:26
 
Jezus zeide tot haar: Ik ben het, Die met u spreek.  
 
Jhn 4:27
 
En daarop kwamen Zijn discipelen en verwonderden zich, dat Hij met een vrouw sprak. Nochtans zeide niemand: Wat vraagt Gij, of: Wat spreekt Gij met haar?  
 
Jhn 4:28
 
Zo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging heen in de stad en zeide tot de lieden:  
 
Jhn 4:29
 
Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?  
 
Jhn 4:30
 
Zij dan gingen uit de stad, en kwamen tot Hem.  
 
Jhn 4:31
 
En ondertussen baden Hem de discipelen, zeggende: Rabbi, eet.  
 
Jhn 4:32
 
Maar Hij zeide tot hen: Ik heb een spijs om te eten, die gij niet weet.  
 
Jhn 4:33
 
Zo zeiden dan de discipelen tegen elkander: Heeft Hem iemand te eten gebracht?  
 
Jhn 4:34
 
Jezus zeide tot hen: Mijn spijs is, dat Ik doe den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge.  
 
Jhn 4:35
 
Zegt gijlieden niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst? Ziet, Ik zeg u: Heft uw ogen op en aanschouwt de landen; want zij zijn alrede wit om te oogsten.  
 
Jhn 4:36
 
En die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven; opdat zich te zamen verblijde, beide, die zaait en die maait.  
 
Jhn 4:37
 
Want hierin is die spreuk waarachtig: Een ander is het, die zaait, en een ander, die maait.  
 
Jhn 4:38
 
Ik heb u uitgezonden, om te maaien, hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid, en gij zijt tot hun arbeid ingegaan.  
 
Jhn 4:39
 
En velen der Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles, wat ik gedaan heb.  
 
Jhn 4:40
 
Als dan de Samaritanen tot Hem gekomen waren, baden zij Hem, dat Hij bij hen bleef; en Hij bleef aldaar twee dagen.  
 
Jhn 4:41
 
En er geloofden er veel meer om Zijns woords wil;  
 
Jhn 4:42
 
En zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer om uws zeggens wil; want wij zelven hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld.  
 
Jhn 4:43
 
En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galilea;  
 
Jhn 4:44
 
Want Jezus heeft Zelf getuigd, dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft.  
 
Jhn 4:45
 
Als Hij dan in Galilea kwam, ontvingen Hem de Galileers, gezien hebbende al de dingen, die Hij te Jeruzalem op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het feest gegaan.  
 
Jhn 4:46
 
Zo kwam dan Jezus wederom te Kana in Galilea, waar Hij het water wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Kapernaum.  
 
Jhn 4:47
 
Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem, en bad Hem, dat Hij afkwame, en zijn zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven.  
 
Jhn 4:48
 
Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven.  
 
Jhn 4:49
 
De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft.  
 
Jhn 4:50
 
Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de mens geloofde het woord, dat Jezus tot hem zeide, en ging heen.  
 
Jhn 4:51
 
En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet, en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft!  
 
Jhn 4:52
 
Zo vraagde hij dan van hen de ure, in welke het beter met hem geworden was. En zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts.  
 
Jhn 4:53
 
De vader bekende dan, dat het in dezelve ure was, in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde zelf, en zijn gehele huis.  
 
Jhn 4:54
 
Dit tweede teken heeft Jezus wederom gedaan, als Hij uit Judea in Galilea gekomen was.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Luke 1John 31 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 John 5Acts 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards