All NT OTBook
Compare Texts
Luke 1 John 11

John 12:1-50

John 13 Acts 1

Statenvertaling 1750

 
 
 
Jhn 12:1
 
Jezus dan kwam zes dagen voor het pascha te Bethanie, daar Lazarus was, die gestorven was geweest, welken Hij opgewekt had uit de doden.  
 
Jhn 12:2
 
Zij bereidden Hem dan aldaar een avondmaal, en Martha diende; en Lazarus was een van degenen, die met Hem aanzaten.  
 
Jhn 12:3
 
Maria dan, genomen hebbende een pond zalf van onvervalsten, zeer kostelijken nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met haar haren Zijn voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van den reuk der zalf.  
 
Jhn 12:4
 
Zo zeide dan een van Zijn discipelen, namelijk Judas, Simons zoon, Iskariot, die Hem verraden zou:  
 
Jhn 12:5
 
Waarom is deze zalf niet verkocht voor driehonderd penningen, en den armen gegeven?  
 
Jhn 12:6
 
En dit zeide hij, niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was, en de beurs had, en droeg hetgeen gegeven werd.  
 
Jhn 12:7
 
Jezus dan zeide: Laat af van haar; zij heeft dit bewaard tegen den dag Mijner begrafenis.  
 
Jhn 12:8
 
Want de armen hebt gijlieden altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.  
 
Jhn 12:9
 
Een grote schare dan der Joden verstond, dat Hij aldaar was; en zij kwamen, niet alleen om Jezus' wil, maar opdat zij ook Lazarus zouden zien, dien Hij uit de doden opgewekt had.  
 
Jhn 12:10
 
En de overpriesters beraadslaagden, dat zij ook Lazarus doden zouden.  
 
Jhn 12:11
 
Want velen van de Joden gingen heen om zijnentwil, en geloofden in Jezus.  
 
Jhn 12:12
 
Des anderen daags, een grote schare, die tot het feest gekomen was, horende, dat Jezus naar Jeruzalem kwam,  
 
Jhn 12:13
 
Namen de takken van palmbomen, en gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren, Hij, Die is de Koning Israels!  
 
Jhn 12:14
 
En Jezus vond een jongen ezel, en zat daarop, gelijk geschreven is:  
 
Jhn 12:15
 
Vrees niet, gij dochter Sions, zie, uw Koning komt, zittende op het veulen ener ezelin.  
 
Jhn 12:16
 
Doch dit verstonden Zijn discipelen in het eerst niet; maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig, dat dit van Hem geschreven was, en dat zij Hem dit gedaan hadden.  
 
Jhn 12:17
 
De schare dan, die met Hem was, getuigde dat Hij Lazarus uit het graf geroepen, en hem uit de doden opgewekt had.  
 
Jhn 12:18
 
Daarom ging ook de schare Hem tegemoet, overmits zij gehoord had, dat Hij dat teken gedaan had.  
 
Jhn 12:19
 
De Farizeen dan zeiden onder elkander: Ziet gij wel, dat gij gans niet vordert? Ziet, de gehele wereld gaat Hem na.  
 
Jhn 12:20
 
En er waren sommige Grieken uit degenen, die opgekomen waren, opdat zij op het feest zouden aanbidden;  
 
Jhn 12:21
 
Dezen dan gingen tot Filippus, die van Bethsaida in Galilea was, en baden hem, zeggende: Heere, wij wilden Jezus wel zien.  
 
Jhn 12:22
 
Filippus kwam en zeide het Andreas; en Andreas en Filippus wederom zeiden het Jezus.  
 
Jhn 12:23
 
Maar Jezus antwoordde hun, zeggende: De ure is gekomen, dat de Zoon des mensen zal verheerlijkt worden.  
 
Jhn 12:24
 
Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort.  
 
Jhn 12:25
 
Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven.  
 
Jhn 12:26
 
Zo iemand Mij dient, die volge Mij; en waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn. En zo iemand Mij dient, de Vader zal hem eren.  
 
Jhn 12:27
 
Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen.  
 
Jhn 12:28
 
Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit den hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken.  
 
Jhn 12:29
 
De schare dan, die daar stond, en dit hoorde, zeide, dat er een donderslag geschied was. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken.  
 
Jhn 12:30
 
Jezus antwoordde en zeide: Niet om Mijnentwil is deze stem geschied, maar om uwentwil.  
 
Jhn 12:31
 
Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden.  
 
Jhn 12:32
 
En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken.  
 
Jhn 12:33
 
(En dit zeide Hij, betekenende, hoedanigen dood Hij sterven zou.)  
 
Jhn 12:34
 
De schare antwoordde Hem: Wij hebben uit de wet gehoord, dat de Christus blijft in der eeuwigheid; en hoe zegt Gij, dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen?  
 
Jhn 12:35
 
Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd is het Licht bij ulieden; wandelt, terwijl gij het Licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange. En die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat.  
 
Jhn 12:36
 
Terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat gij kinderen des Lichts moogt zijn. Deze dingen sprak Jezus; en weggaande verborg Hij Zich van hen.  
 
Jhn 12:37
 
En hoewel Hij zovele tekenen voor hen gedaan had, nochtans geloofden zij in Hem niet;  
 
Jhn 12:38
 
Opdat het woord van Jesaja, den profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heere, wie heeft onze prediking geloofd, en wien is de arm des Heeren geopenbaard?  
 
Jhn 12:39
 
Daarom konden zij niet geloven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft:  
 
Jhn 12:40
 
Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze.  
 
Jhn 12:41
 
Dit zeide Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak.  
 
Jhn 12:42
 
Nochtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in Hem; maar om der Farizeen wil beleden zij het niet; opdat zij uit de synagoge niet zouden geworpen worden.  
 
Jhn 12:43
 
Want zij hadden de eer der mensen lief, meer dan de eer van God.  
 
Jhn 12:44
 
En Jezus riep, en zeide: Die in Mij gelooft, gelooft in Mij niet, maar in Dengene, Die Mij gezonden heeft.  
 
Jhn 12:45
 
En die Mij ziet, die ziet Dengene, Die Mij gezonden heeft.  
 
Jhn 12:46
 
Ik ben een Licht, in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve.  
 
Jhn 12:47
 
En indien iemand Mijn woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben, Ik oordeel hem niet; want Ik ben niet gekomen, opdat Ik de wereld oordele, maar opdat Ik de wereld zalig make.  
 
Jhn 12:48
 
Die Mij verwerpt, en Mijn woorden niet ontvangt, heeft, die hem oordeelt; het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordelen ten laatsten dage.  
 
Jhn 12:49
 
Want Ik heb uit Mijzelven niet gesproken; maar de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen zal, en wat Ik spreken zal.  
 
Jhn 12:50
 
En Ik weet, dat Zijn gebod het eeuwige leven is. Hetgeen Ik dan spreek, dat spreek Ik alzo, gelijk Mij de Vader gezegd heeft.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Luke 1John 111 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 John 13Acts 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards