All NT OTBook
Compare Texts
Luke 1 John 10

John 11:1-57

John 12 Acts 1

Statenvertaling 1750

 
 
 
Jhn 11:1
 
En er was een zeker man krank, genaamd Lazarus, van Bethanie, uit het vlek van Maria en haar zuster Martha.  
 
Jhn 11:2
 
(Maria nu was degene, die den Heere gezalfd heeft met zalf, en Zijn voeten afgedroogd heeft met haar haren; welker broeder Lazarus krank was.)  
 
Jhn 11:3
 
Zijn zusters dan zonden tot Hem, zeggende: Heere, zie, dien Gij liefhebt, is krank.  
 
Jhn 11:4
 
En Jezus, dat horende, zeide: Deze krankheid is niet tot den dood, maar ter heerlijkheid Gods; opdat de Zone Gods door dezelve verheerlijkt worde.  
 
Jhn 11:5
 
Jezus nu had Martha, en haar zuster, en Lazarus lief.  
 
Jhn 11:6
 
Als Hij dan gehoord had, dat hij krank was, toen bleef Hij nog twee dagen in de plaats, waar Hij was.  
 
Jhn 11:7
 
Daarna zeide Hij verder tot de discipelen: Laat ons wederom naar Judea gaan.  
 
Jhn 11:8
 
De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi! de Joden hebben U nu onlangs gezocht te stenigen, en gaat Gij wederom derwaarts?  
 
Jhn 11:9
 
Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in den dag? Indien iemand in den dag wandelt, zo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet;  
 
Jhn 11:10
 
Maar indien iemand in den nacht wandelt, zo stoot hij zich, overmits het licht in hem niet is.  
 
Jhn 11:11
 
Dit sprak Hij; en daarna zeide Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit den slaap op te wekken.  
 
Jhn 11:12
 
Zijn discipelen dan zeiden: Heere, indien hij slaapt, zo zal hij gezond worden.  
 
Jhn 11:13
 
Doch Jezus had gesproken van zijn dood; maar zij meenden, dat Hij sprak van de rust des slaaps.  
 
Jhn 11:14
 
Toen zeide dan Jezus tot hen vrijuit: Lazarus is gestorven.  
 
Jhn 11:15
 
En Ik ben blijde om uwentwil, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij geloven moogt; doch laat ons tot hem gaan.  
 
Jhn 11:16
 
Thomas dan, genaamd Didymus, zeide tot zijn medediscipelen: Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven.  
 
Jhn 11:17
 
Jezus dan, gekomen zijnde, vond, dat hij nu vier dagen in het graf geweest was.  
 
Jhn 11:18
 
(Bethanie nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadien van daar.)  
 
Jhn 11:19
 
En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haar broeder.  
 
Jhn 11:20
 
Martha dan, als zij hoorde, dat Jezus kwam, ging Hem tegemoet; doch Maria bleef in huis zitten.  
 
Jhn 11:21
 
Zo zeide Martha dan tot Jezus: Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven;  
 
Jhn 11:22
 
Maar ook nu weet ik, dat alles, wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal.  
 
Jhn 11:23
 
Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal wederopstaan.  
 
Jhn 11:24
 
Martha zeide tot Hem: Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage.  
 
Jhn 11:25
 
Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven;  
 
Jhn 11:26
 
En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?  
 
Jhn 11:27
 
Zij zeide tot Hem: Ja, Heere; ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou.  
 
Jhn 11:28
 
En dit gezegd hebbende, ging zij heen, en riep Maria, haar zuster, heimelijk, zeggende: De Meester is daar, en Hij roept u.  
 
Jhn 11:29
 
Deze, als zij dat hoorde, stond haastelijk op, en ging tot Hem.  
 
Jhn 11:30
 
(Jezus nu was nog in het vlek niet gekomen, maar was in de plaats, waar Hem Martha tegemoet gekomen was.)  
 
Jhn 11:31
 
De Joden dan, die met haar in het huis waren, en haar vertroostten, ziende Maria, dat zij haastelijk opstond en uitging, volgden haar, zeggende: Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar wene.  
 
Jhn 11:32
 
Maria dan, als zij kwam, waar Jezus was, en Hem zag, viel aan Zijn voeten, zeggende tot Hem: Heere, indien Gij hier geweest waart, zo ware mijn broeder niet gestorven.  
 
Jhn 11:33
 
Jezus dan, als Hij haar zag wenen, en de Joden, die met haar kwamen, ook wenen, werd zeer bewogen in den geest, en ontroerde Zichzelven;  
 
Jhn 11:34
 
En zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heere, kom en zie het.  
 
Jhn 11:35
 
Jezus weende.  
 
Jhn 11:36
 
De Joden dan zeiden: Ziet, hoe lief Hij hem had!  
 
Jhn 11:37
 
En sommigen uit hen zeiden: Kon Hij, Die de ogen des blinden geopend heeft, niet maken, dat ook deze niet gestorven ware?  
 
Jhn 11:38
 
Jezus dan wederom in Zichzelven zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf; en het was een spelonk, en een steen was daarop gelegd.  
 
Jhn 11:39
 
Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha, de zuster des gestorvenen, zeide tot Hem: Heere, hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar gelegen.  
 
Jhn 11:40
 
Jezus zeide tot haar: Heb Ik u niet gezegd, dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?  
 
Jhn 11:41
 
Zij namen dan den steen weg, waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen opwaarts, en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt.  
 
Jhn 11:42
 
Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort; maar om der schare wil, die rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.  
 
Jhn 11:43
 
En als Hij dit gezegd had, riep Hij met grote stemme: Lazarus, kom uit!  
 
Jhn 11:44
 
En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met een zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Ontbindt hem, en laat hem heengaan.  
 
Jhn 11:45
 
Velen dan uit de Joden, die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hadden, hetgeen Jezus gedaan had, geloofden in Hem.  
 
Jhn 11:46
 
Maar sommigen van hen gingen tot de Farizeen, en zeiden tot hen, hetgeen Jezus gedaan had.  
 
Jhn 11:47
 
De overpriesters dan en de Farizeen vergaderden den raad, en zeiden: Wat zullen wij doen? want deze Mens doet vele tekenen.  
 
Jhn 11:48
 
Indien wij Hem alzo laten geworden, zij zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen komen, en wegnemen beide onze plaats en volk.  
 
Jhn 11:49
 
En een uit hen, namelijk Kajafas, die deszelven jaars hogepriester was, zeide tot hen: Gij verstaat niets;  
 
Jhn 11:50
 
En gij overlegt niet, dat het ons nut is, dat een mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga.  
 
Jhn 11:51
 
En dit zeide hij niet uit zichzelven; maar, zijnde hogepriester deszelven jaars, profeteerde hij, dat Jezus sterven zou voor het volk;  
 
Jhn 11:52
 
En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot een zou vergaderen.  
 
Jhn 11:53
 
Van dien dag dan af beraadslaagden zij te zamen, dat zij Hem doden zouden.  
 
Jhn 11:54
 
Jezus dan wandelde niet meer vrijelijk onder de Joden; maar ging van daar naar het land bij de woestijn, naar de stad, genaamd Efraim, en verkeerde aldaar met Zijn discipelen.  
 
Jhn 11:55
 
En het pascha der Joden was nabij, en velen uit dat land gingen op naar Jeruzalem, voor het pascha, opdat zij zichzelven reinigden.  
 
Jhn 11:56
 
Zij zochten dan Jezus, en zeiden onder elkander, staande in den tempel: Wat dunkt u? Dunkt u, dat Hij niet komen zal tot het feest?  
 
Jhn 11:57
 
De overpriesters nu en de Farizeen hadden een gebod gegeven, dat, zo iemand wist, waar Hij was, hij het zou te kennen geven, opdat zij Hem mochten vangen.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Luke 1John 101 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 John 12Acts 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards