All NT OTBook
Compare Texts
Luke 1 Luke 24

John 1:1-51

John 2 Acts 1

Statenvertaling 1750

 
 
 
Jhn 1:1
 
In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.  
 
Jhn 1:2
 
Dit was in den beginne bij God.  
 
Jhn 1:3
 
Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.  
 
Jhn 1:4
 
In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen.  
 
Jhn 1:5
 
En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.  
 
Jhn 1:6
 
Er was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes.  
 
Jhn 1:7
 
Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden.  
 
Jhn 1:8
 
Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou.  
 
Jhn 1:9
 
Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld.  
 
Jhn 1:10
 
Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend.  
 
Jhn 1:11
 
Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.  
 
Jhn 1:12
 
Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;  
 
Jhn 1:13
 
Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn.  
 
Jhn 1:14
 
En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.  
 
Jhn 1:15
 
Johannes getuigt van Hem, en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van Welken ik zeide: Die na mij komt, is voor mij geworden, want Hij was eer dan ik.  
 
Jhn 1:16
 
En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.  
 
Jhn 1:17
 
Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.  
 
Jhn 1:18
 
Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.  
 
Jhn 1:19
 
En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden enige priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie zijt gij?  
 
Jhn 1:20
 
En hij beleed en loochende het niet; en beleed: Ik ben de Christus niet.  
 
Jhn 1:21
 
En zij vraagden hem: Wat dan? Zijt gij Elias? En hij zeide: Ik ben die niet. Zijt gij de profeet? En hij antwoordde: Neen.  
 
Jhn 1:22
 
Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? opdat wij antwoord geven mogen dengenen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelven?  
 
Jhn 1:23
 
Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht, gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft.  
 
Jhn 1:24
 
En de afgezondenen waren uit de Farizeen;  
 
Jhn 1:25
 
En zij vraagden hem en spraken tot hem: Waarom doopt gij dan, zo gij de Christus niet zijt, noch Elias, noch de profeet?  
 
Jhn 1:26
 
Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent;  
 
Jhn 1:27
 
Dezelve is het, Die na mij komt, Welke voor mij geworden is, Wien ik niet waardig ben, dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden.  
 
Jhn 1:28
 
Deze dingen zijn geschied in Bethabara, over de Jordaan, waar Johannes was dopende.  
 
Jhn 1:29
 
Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!  
 
Jhn 1:30
 
Deze is het, van Welken ik gezegd heb: Na mij komt een Man, Die voor mij geworden is, want Hij was eer dan ik.  
 
Jhn 1:31
 
En ik kende Hem niet; maar opdat Hij aan Israel zou geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen, dopende met het water.  
 
Jhn 1:32
 
En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel, gelijk een duif, en bleef op Hem.  
 
Jhn 1:33
 
En ik kende Hem niet; maar Die mij gezonden heeft, om te dopen met water, Die had mij gezegd: Op Welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, Deze is het, Die met den Heiligen Geest doopt.  
 
Jhn 1:34
 
En ik heb gezien, en heb getuigd, dat Deze de Zoon van God is.  
 
Jhn 1:35
 
Des anderen daags wederom stond Johannes, en twee uit zijn discipelen.  
 
Jhn 1:36
 
En ziende op Jezus, daar wandelende, zeide hij: Ziet, het Lam Gods!  
 
Jhn 1:37
 
En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus.  
 
Jhn 1:38
 
En Jezus Zich omkerende, en ziende hen volgen, zeide tot hen: (1:39) Wat zoekt gij? En zij zeiden tot Hem: Rabbi! (hetwelk is te zeggen, overgezet zijnde, Meester) waar woont Gij?  
 
Jhn 1:39
 
(1:40) Hij zeide tot hen: Komt en ziet! Zij kwamen en zagen, waar Hij woonde, en bleven dien dag bij Hem. En het was omtrent de tiende ure.  
 
Jhn 1:40
 
(1:41) Andreas, de broeder van Simon Petrus, was een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden, en Hem gevolgd waren.  
 
Jhn 1:41
 
(1:42) Deze vond eerst zijn broeder Simon, en zeide tot hem: Wij hebben gevonden den Messias, hetwelk is, overgezet zijnde, de Christus.  
 
Jhn 1:42
 
(1:43) En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus, hem aanziende, zeide: Gij zijt Simon, de zoon van Jonas; gij zult genaamd worden Cefas, hetwelk overgezet wordt Petrus.  
 
Jhn 1:43
 
(1:44) Des anderen daags wilde Jezus heengaan naar Galilea, en vond Filippus, en zeide tot hem: Volg Mij.  
 
Jhn 1:44
 
(1:45) Filippus nu was van Bethsaida, uit de stad van Andreas en Petrus.  
 
Jhn 1:45
 
(1:46) Filippus vond Nathanael en zeide tot hem: Wij hebben Dien gevonden, van Welken Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, den zoon van Jozef, van Nazareth.  
 
Jhn 1:46
 
(1:47) En Nathanael zeide tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zeide van hem: Kom en zie.  
 
Jhn 1:47
 
(1:48) Jezus zag Nathanael tot Zich komen, en zeide van hem: Zie, waarlijk een Israeliet, in welken geen bedrog is.  
 
Jhn 1:48
 
(1:49) Nathanael zeide tot Hem: Van waar kent Gij mij? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Eer u Filippus riep, daar gij onder den vijgeboom waart, zag Ik u.  
 
Jhn 1:49
 
(1:50) Nathanael antwoordde en zeide tot Hem: Rabbi! Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israels.  
 
Jhn 1:50
 
(1:51) Jezus antwoordde en zeide tot hem: Omdat Ik u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgeboom, zo gelooft gij; gij zult grotere dingen zien dan deze.  
 
Jhn 1:51
 
(1:52) En Hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Van nu aan zult gij den hemel zien geopend, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des mensen.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Luke 1Luke 241 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 John 2Acts 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards