All NT OTBook
Compare Texts
Matthew 1 Mark 2

Mark 3:1-35

Mark 4 Luke 1

Statenvertaling 1750

 
 
 
Mar 3:1
 
En Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand.  
 
Mar 3:2
 
En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten.  
 
Mar 3:3
 
En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden.  
 
Mar 3:4
 
En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil.  
 
Mar 3:5
 
En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.  
 
Mar 3:6
 
En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodeanen te zamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem doden zouden.  
 
Mar 3:7
 
En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; en Hem volgde een grote menigte van Galilea, en van Judea,  
 
Mar 3:8
 
en van Jeruzalem, en van Idumea, en van over de Jordaan; en die van omtrent Tyrus en Sidon, een grote menigte, gehoord hebbende, hoe grote dingen Hij deed, kwamen tot Hem.  
 
Mar 3:9
 
En Hij zeide tot Zijn discipelen, dat een scheepje steeds omtrent Hem blijven zou, om der schare wil, opdat zij Hem niet zouden verdringen.  
 
Mar 3:10
 
Want Hij had er velen genezen, alzo dat Hem al degenen, die enige kwalen hadden, overvielen, opdat zij Hem mochten aanraken.  
 
Mar 3:11
 
En de onreine geesten, als zij Hem zagen, vielen voor Hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zone Gods!  
 
Mar 3:12
 
En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden openbaar maken.  
 
Mar 3:13
 
En Hij klom op den berg, en riep tot Zich, die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem.  
 
Mar 3:14
 
En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij dezelve zou uitzenden om te prediken;  
 
Mar 3:15
 
En om macht te hebben, de ziekten te genezen, en de duivelen uit te werpen.  
 
Mar 3:16
 
En Simon gaf Hij den toe naam Petrus;  
 
Mar 3:17
 
En Jakobus, den zoon van Zebedeus, en Johannes, den broeder van Jakobus; en gaf hun toe namen, Boanerges, hetwelk is, zonen des donders;  
 
Mar 3:18
 
En Andreas, en Filippus, en Bartholomeus, en Mattheus, en Thomas, en Jakobus, den zoon van Alfeus, en Thaddeus, en Simon Kananites,  
 
Mar 3:19
 
En Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.  
 
Mar 3:20
 
En zij kwamen in huis; en daar vergaderde wederom een schare, alzo dat zij ook zelfs niet konden brood eten.  
 
Mar 3:21
 
En als degenen, die Hem bestonden, dit hoorden, gingen zij uit, om Hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten Zijn zinnen.  
 
Mar 3:22
 
En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beelzebul, en door den overste der duivelen werpt Hij de duivelen uit.  
 
Mar 3:23
 
En hen tot Zich geroepen hebbende, zeide Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen?  
 
Mar 3:24
 
En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat koninkrijk niet bestaan.  
 
Mar 3:25
 
En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat huis niet bestaan.  
 
Mar 3:26
 
En indien de satan tegen zichzelven opstaat, en verdeeld is, zo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde.  
 
Mar 3:27
 
Er kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijn vaten ontroven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis beroven.  
 
Mar 3:28
 
Voorwaar, Ik zeg u, dat al de zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmede zij zullen gelasterd hebben;  
 
Mar 3:29
 
Maar zo wie zal gelasterd hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels.  
 
Mar 3:30
 
Want zij zeiden: Hij heeft een onreinen geest.  
 
Mar 3:31
 
Zo kwamen dan Zijn broeders en Zijn moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem, en riepen Hem.  
 
Mar 3:32
 
En de schare zat rondom Hem; en zij zeiden tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders daar buiten zoeken U.  
 
Mar 3:33
 
En Hij antwoordde hun, zeggende: Wie is Mijn moeder, of Mijn broeders?  
 
Mar 3:34
 
En rondom overzien hebbende, die om Hem zaten, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.  
 
Mar 3:35
 
Want zo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Matthew 1Mark 21 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 Mark 4Luke 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards