| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Mat 14:1 | Te dierzelfder tijd hoorde Herodes, de viervorst, het gerucht van Jezus;
| |
| | Mat 14:2 | En zeide tot zijn knechten: Deze is Johannes de Doper; hij is opgewekt van de doden, en daarom werken die krachten in Hem.
| |
| | Mat 14:3 | Want Herodes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden, en in den kerker gezet, om Herodias' wil, de huisvrouw van Filippus, zijn broeder.
| |
| | Mat 14:4 | Want Johannes zeide tot hem: Het is u niet geoorloofd haar te hebben.
| |
| | Mat 14:5 | En willende hem doden, vreesde hij het volk, omdat zij hem hielden voor een profeet.
| |
| | Mat 14:6 | Maar als de dag der geboorte van Herodes gehouden werd, danste de dochter van Herodias in het midden van hen, en zij behaagde aan Herodes.
| |
| | Mat 14:7 | Waarom hij haar met ede beloofde te geven, wat zij ook zou eisen.
| |
| | Mat 14:8 | En zij, te voren onderricht zijnde van haar moeder, zeide: Geef mij hier in een schotel het hoofd van Johannes den Doper.
| |
| | Mat 14:9 | En de koning werd bedroefd; doch om de eden, en degenen, die met hem aanzaten, gebood hij, dat het haar zou gegeven worden;
| |
| | Mat 14:10 | En zond heen, en onthoofdde Johannes in den kerker.
| |
| | Mat 14:11 | En zijn hoofd werd gebracht in een schotel, en het dochtertje gegeven; en zij droeg het tot haar moeder.
| |
| | Mat 14:12 | En zijn discipelen kwamen, en namen het lichaam weg, en begroeven hetzelve; en gingen en boodschapten het Jezus.
| |
| | Mat 14:13 | En als Jezus dit hoorde, vertrok Hij van daar te scheep, naar een woeste plaats alleen; en de scharen, dat horende, zijn Hem te voet gevolgd uit de steden.
| |
| | Mat 14:14 | En Jezus uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming over hen bewogen, en genas hun kranken.
| |
| | Mat 14:15 | En als het nu avond werd, kwamen Zijn discipelen tot Hem, zeggende: Deze plaats is woest, en de tijd is nu voorbijgegaan; laat de scharen van U, opdat zij heengaan in de vlekken en zichzelven spijze kopen.
| |
| | Mat 14:16 | Maar Jezus zeide tot hen: Het is hun niet van node heen te gaan, geeft gij hun te eten.
| |
| | Mat 14:17 | Doch zij zeiden tot Hem: Wij hebben hier niet, dan vijf broden en twee vissen.
| |
| | Mat 14:18 | En Hij zeide: Brengt Mij dezelve hier.
| |
| | Mat 14:19 | En Hij beval de scharen neder te zitten op het gras, en nam de vijf broden en de twee vissen, en opwaarts ziende naar den hemel, zegende dezelve; en als Hij ze gebroken had, gaf Hij de broden den discipelen, en de discipelen aan de scharen.
| |
| | Mat 14:20 | En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot der brokken, twaalf volle korven.
| |
| | Mat 14:21 | Die nu gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.
| |
| | Mat 14:22 | En terstond dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor Hem af te varen naar de andere zijde, terwijl Hij de scharen van Zich zou laten.
| |
| | Mat 14:23 | En als Hij nu de scharen van Zich gelaten had, klom Hij op den berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen.
| |
| | Mat 14:24 | En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren; want de wind was hun tegen.
| |
| | Mat 14:25 | Maar ter vierde wake des nachts kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee.
| |
| | Mat 14:26 | En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel! En zij schreeuwden van vreze.
| |
| | Mat 14:27 | Maar terstond sprak hen Jezus aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet.
| |
| | Mat 14:28 | En Petrus antwoordde Hem, en zeide: Heere! indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water.
| |
| | Mat 14:29 | En Hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen.
| |
| | Mat 14:30 | Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij!
| |
| | Mat 14:31 | En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem: Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld?
| |
| | Mat 14:32 | En als zij in het schip geklommen waren, stilde de wind.
| |
| | Mat 14:33 | Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!
| |
| | Mat 14:34 | En overgevaren zijnde, kwamen zij in het land Gennesaret.
| |
| | Mat 14:35 | En als de mannen van die plaats Hem werden kennende, zonden zij in dat gehele omliggende land, en brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren;
| |
| | Mat 14:36 | En baden Hem, dat zij alleenlijk den zoom Zijns kleeds zouden mogen aanraken; en zovelen als Hem aanraakten, werden gezond.
| |