| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Num 29:1 | Desgelijks in de zevende maand, op den eersten der maand, zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen; het zal u een dag des geklanks zijn.
| |
| | Num 29:2 | Dan zult gij een brandoffer, ten liefelijken reuk, den HEERE bereiden: een jongen var, een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;
| |
| | Num 29:3 | En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd; drie tienden tot den var, twee tienden tot den ram.
| |
| | Num 29:4 | En een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;
| |
| | Num 29:5 | En een geitenbok ten zondoffer, om over ulieden verzoening te doen;
| |
| | Num 29:6 | Behalve het brandoffer der maand, en zijn spijsoffer, en het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, met hun drankofferen, naar hun wijze, ten liefelijken reuk, ten vuuroffer den HEERE.
| |
| | Num 29:7 | En op den tienden dezer zevende maand zult gij een heilige samenroeping hebben, en gij zult uw zielen verootmoedigen; geen werk zult gij doen;
| |
| | Num 29:8 | Maar gij zult brandoffer, ten liefelijken reuk, den HEERE offeren: een jongen var, een ram, zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn.
| |
| | Num 29:9 | En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tienden tot den var, twee tienden tot den enen ram;
| |
| | Num 29:10 | Tot elk een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;
| |
| | Num 29:11 | Een geitenbok ten zondoffer, behalve het zondoffer der verzoeningen, en het gedurig brandoffer; en zijn spijsoffer, met hun drankofferen.
| |
| | Num 29:12 | Insgelijks op den vijftienden dag dezer zevende maand, zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen; maar zeven dagen zult gij den HEERE een feest vieren.
| |
| | Num 29:13 | En gij zult een brandoffer ten vuuroffer offeren, ten liefelijken reuk den HEERE: dertien jonge varren, twee rammen, veertien eenjarige lammeren; zij zullen volkomen zijn;
| |
| | Num 29:14 | En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tienden tot een var, tot die dertien varren toe; twee tienden tot een ram, onder die twee rammen;
| |
| | Num 29:15 | En tot elke een tiende tot een lam, tot die veertien lammeren toe;
| |
| | Num 29:16 | En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.
| |
| | Num 29:17 | Daarna op den tweeden dag: twaalf jonge varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;
| |
| | Num 29:18 | En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
| |
| | Num 29:19 | En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, met hun drankofferen.
| |
| | Num 29:20 | En op den derden dag: elf varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;
| |
| | Num 29:21 | En hun spijsofferen, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
| |
| | Num 29:22 | En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.
| |
| | Num 29:23 | Verder op den vierden dag: tien varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;
| |
| | Num 29:24 | Hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
| |
| | Num 29:25 | En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.
| |
| | Num 29:26 | En op den vijfden dag: negen varren, twee rammen, en veertien volkomen eenjarige lammeren;
| |
| | Num 29:27 | En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
| |
| | Num 29:28 | En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.
| |
| | Num 29:29 | Daarna op den zesden dag: acht varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;
| |
| | Num 29:30 | En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
| |
| | Num 29:31 | En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankofferen.
| |
| | Num 29:32 | En op den zevenden dag: zeven varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;
| |
| | Num 29:33 | En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar hun wijze;
| |
| | Num 29:34 | En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.
| |
| | Num 29:35 | Op den achtsten dag zult gij een verbodsdag hebben; geen dienstwerk zult gij doen.
| |
| | Num 29:36 | En gij zult een brandoffer ten vuuroffer offeren, ten liefelijken reuk den HEERE; een var, een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;
| |
| | Num 29:37 | Hun spijsoffer, en hun drankofferen tot den var, tot den ram, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
| |
| | Num 29:38 | En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.
| |
| | Num 29:39 | Deze dingen zult gij den HEERE doen op uw gezette hoogtijden; behalve uw geloften, en uw vrijwillige offeren, met uw brandofferen, en met uw spijsofferen en met uw drankofferen, en met uw dankofferen.
| |
| | Num 29:40 | En Mozes sprak tot de kinderen Israels naar al wat de HEERE Mozes geboden had.
| |