All NT OTBook
Compare Texts
Leviticus 1 Numbers 25

Numbers 26:1-65

Numbers 27 Deuteronomy 1

Statenvertaling 1750

 
 
 
Num 26:1
 
Het geschiedde nu na die plaag, dat de HEERE sprak tot Mozes, en tot Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, zeggende:  
 
Num 26:2
 
Neem de som van de gehele vergadering der kinderen Israels op, van twintig jaren oud en daarboven, naar het huis hunner vaderen, al wie ten heire in Israel uittrekt.  
 
Num 26:3
 
Mozes dan en Eleazar, de priester, spraken hen aan, in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:  
 
Num 26:4
 
Dat men opneme van twintig jaren oud en daarboven; gelijk als de HEERE Mozes geboden had, en den kinderen Israels, die uit Egypteland uitgetogen waren.  
 
Num 26:5
 
Ruben was de eerstgeborene van Israel. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welken was het geslacht der Hanochieten; van Pallu het geslacht der Palluieten;  
 
Num 26:6
 
Van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Karmi het geslacht der Karmieten.  
 
Num 26:7
 
Dit zijn de geslachten der Rubenieten; en hun getelden waren drie en veertig duizend zevenhonderd en dertig.  
 
Num 26:8
 
En de zonen van Pallu waren Eliab.  
 
Num 26:9
 
En de zonen van Eliab waren Nemuel, en Dathan, en Abiram; deze Dathan en Abiram waren de geroepenen der vergadering, die gekijf maakten tegen Mozes en tegen Aaron, in de vergadering van Korach, als zij gekijf tegen den HEERE maakten.  
 
Num 26:10
 
En de aarde haar mond opendeed, en verslond hen met Korach, als die vergadering stierf, toen het vuur tweehonderd en vijftig mannen verteerde, en werden tot een teken.  
 
Num 26:11
 
Maar de kinderen van Korach stierven niet.  
 
Num 26:12
 
De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;  
 
Num 26:13
 
Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.  
 
Num 26:14
 
Dat zijn de geslachten der Simeonieten: twee en twintig duizend en tweehonderd.  
 
Num 26:15
 
De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht der Haggieten; van Suni het geslacht der Sunieten.  
 
Num 26:16
 
Van Ozni het geslacht der Oznieten; van Heri het geslacht der Herieten;  
 
Num 26:17
 
Van Arod het geslacht der Arodieten; van Areli het geslacht der Arelieten.  
 
Num 26:18
 
Dat zijn de geslachten der zonen van Gad, naar hun getelden: veertig duizend en vijfhonderd.  
 
Num 26:19
 
De zonen van Juda waren Er en Onan; maar Er en Onan stierven in het land Kanaan.  
 
Num 26:20
 
Alzo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht der Selanieten; van Perez het geslacht der Perezieten; van Zerah het geslacht der Zerahieten.  
 
Num 26:21
 
En de zonen van Perez waren: van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Hamul het geslacht der Hamulieten.  
 
Num 26:22
 
Dat zijn de geslachten van Juda, naar hun getelden: zes en zeventig duizend en vijfhonderd.  
 
Num 26:23
 
De zonen van Issaschar, naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht der Tolaieten; van Puva het geslacht der Punieten;  
 
Num 26:24
 
Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.  
 
Num 26:25
 
Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.  
 
Num 26:26
 
De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleel het geslacht der Jahleelieten.  
 
Num 26:27
 
Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.  
 
Num 26:28
 
De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraim.  
 
Num 26:29
 
De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.  
 
Num 26:30
 
Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.  
 
Num 26:31
 
En van Asriel het geslacht der Asrielieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten;  
 
Num 26:32
 
En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.  
 
Num 26:33
 
Doch Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen der dochteren van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.  
 
Num 26:34
 
Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.  
 
Num 26:35
 
Dit zijn de zonen van Efraim, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht der Sutelahieten; van Becher het geslacht der Becherieten; van Tahan het geslacht der Tahanieten.  
 
Num 26:36
 
En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.  
 
Num 26:37
 
Dat zijn de geslachten der zonen van Efraim, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.  
 
Num 26:38
 
De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaieten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Ahiram het geslacht der Ahiramieten;  
 
Num 26:39
 
Van Sefufam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.  
 
Num 26:40
 
En de zonen van Bela waren Ard en Naaman; van Ard het geslacht der Ardieten; van Naaman het geslacht der Naamieten.  
 
Num 26:41
 
Dat zijn de zonen van Benjamin, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en zeshonderd.  
 
Num 26:42
 
Dit zijn de zonen van Dan, naar hun geslachten: van Suham het geslacht der Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hun geslachten.  
 
Num 26:43
 
Al de geslachten der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.  
 
Num 26:44
 
De zonen van Aser, naar hun geslachten, waren: van Imna het geslacht der Imnaieten; van Isvi het geslacht der Isvieten; van Beria het geslacht der Beriieten.  
 
Num 26:45
 
Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht der Heberieten; van Malchiel het geslacht der Malchielieten.  
 
Num 26:46
 
En de naam der dochter van Aser was Serah.  
 
Num 26:47
 
Dat zijn de geslachten der zonen van Aser, naar hun getelden: drie en vijftig duizend en vierhonderd.  
 
Num 26:48
 
De zonen van Nafthali, naar hun geslachten: van Jahzeel het geslacht der Jahzeelieten; van Guni het geslacht der Gunieten;  
 
Num 26:49
 
Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.  
 
Num 26:50
 
Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.  
 
Num 26:51
 
Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.  
 
Num 26:52
 
En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:  
 
Num 26:53
 
Aan dezen zal het land uitgedeeld worden ter erfenis, naar het getal der namen.  
 
Num 26:54
 
Aan degenen, die veel zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en aan hen, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken; aan een iegelijk zal, naar zijn getelden, zijn erfenis gegeven worden.  
 
Num 26:55
 
Het land nochtans zal door het lot gedeeld worden; naar de namen der stammen hunner vaderen zullen zij erven.  
 
Num 26:56
 
Naar het lot zal elks erfenis gedeeld worden tussen de velen en de weinigen.  
 
Num 26:57
 
Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht der Gersonieten; van Kohath het geslacht der Kohathieten; van Merari het geslacht der Merarieten.  
 
Num 26:58
 
Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht der Libnieten, het geslacht der Hebronieten, het geslacht der Machlieten, het geslacht der Muzieten, het geslacht der Korachieten. En Kohath gewon Amram.  
 
Num 26:59
 
En de naam der huisvrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aaron, en Mozes, en Mirjam, hun zuster.  
 
Num 26:60
 
En aan Aaron werden geboren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.  
 
Num 26:61
 
Nadab nu en Abihu waren gestorven, toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht des HEEREN.  
 
Num 26:62
 
En hun getelden waren drie en twintig duizend, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven; want dezen werden niet geteld onder de kinderen Israels, omdat hun geen erfenis gegeven werd onder de kinderen Israels.  
 
Num 26:63
 
Dat zijn de getelden van Mozes en Eleazar, den priester, die de kinderen Israels telden in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho.  
 
Num 26:64
 
En onder dezen was niemand uit de getelden van Mozes en Aaron, den priester, als zij de kinderen Israels telden in de woestijn van Sinai.  
 
Num 26:65
 
Want de HEERE had van die gezegd, dat zij in de woestijn gewisselijk zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven, dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Leviticus 1Numbers 252 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 Numbers 27Deuteronomy 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards