All NT OTBook
Compare Texts
Leviticus 1 Numbers 12

Numbers 13:1-33

Numbers 14 Deuteronomy 1

Statenvertaling 1750

 
 
 
Num 13:1
 
En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:  
 
Num 13:2
 
Zend u mannen uit: die het land Kanaan verspieden, hetwelk Ik den kinderen Israels geven zal; van elken stam zijner vaderen zult gijlieden een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen.  
 
Num 13:3
 
Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar den mond des HEEREN; al die mannen waren hoofden der kinderen Israels.  
 
Num 13:4
 
En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur.  
 
Num 13:5
 
Van den stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori.  
 
Num 13:6
 
Van den stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne.  
 
Num 13:7
 
Van den stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef.  
 
Num 13:8
 
Van den stam van Efraim, Hosea, de zoon van Nun.  
 
Num 13:9
 
Van den stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu.  
 
Num 13:10
 
Van den stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.  
 
Num 13:11
 
Van den stam van Jozef, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi.  
 
Num 13:12
 
Van den stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.  
 
Num 13:13
 
Van den stam van Aser, Sethur, de zoon van Michael.  
 
Num 13:14
 
Van den stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.  
 
Num 13:15
 
Van den stam van Gad, Guel, de zoon van Machi.  
 
Num 13:16
 
Dit zijn de namen der mannen, die Mozes zond, om dat land te verspieden; en Mozes noemde Hosea, den zoon van Nun, Jozua.  
 
Num 13:17
 
Mozes dan zond hen, om het land Kanaan te verspieden; en hij zeide tot hen: Trekt dit henen op tegen het zuiden, en klimt op het gebergte;  
 
Num 13:18
 
En beziet het land, hoedanig het zij, en het volk, dat daarin woont, of het sterk zij of zwak, of het weinig zij of veel;  
 
Num 13:19
 
En hoedanig het land zij, waarin hetzelve woont, of het goed zij of kwaad; en hoedanig de steden zijn, in dewelke hetzelve woont, of in legers, of in sterkten;  
 
Num 13:20
 
Ook hoedanig het land zij, of het vet zij of mager, of er bomen in zijn of niet; en versterkt u, en neemt van de vrucht des lands. Die dagen nu waren de dagen der eerste vruchten van de wijndruiven.  
 
Num 13:21
 
Alzo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.  
 
Num 13:22
 
En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte.  
 
Num 13:23
 
Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar een rank af met een tros wijndruiven, dien zij droegen met tweeen, op een draagstok; ook van de granaatappelen en van de vijgen.  
 
Num 13:24
 
Diezelve plaats noemde men het dal Eskol, ter oorzake van den tros, dien de kinderen Israels van daar afgesneden hadden.  
 
Num 13:25
 
Daarna keerden zij weder van het verspieden des lands, ten einde van veertig dagen.  
 
Num 13:26
 
En zij gingen heen, en kwamen tot Mozes en tot Aaron, en tot de gehele vergadering der kinderen Israels, in de woestijn van Paran, naar Kades; en brachten bescheid weder aan hen, en aan de gehele vergadering, en lieten hun de vrucht des lands zien.  
 
Num 13:27
 
En zij vertelden hem, en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land, waarheen gij ons gezonden hebt; en voorwaar, het is van melk en honig vloeiende, en dit is zijn vrucht.  
 
Num 13:28
 
Behalve dat het een sterk volk is, hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast, en zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien.  
 
Num 13:29
 
De Amalekieten wonen in het land van het zuiden; maar de Hethieten, en de Jebusieten, en de Amorieten wonen op het gebergte; en de Kanaanieten wonen aan de zee, en aan den oever van de Jordaan.  
 
Num 13:30
 
Toen stilde Kaleb het volk voor Mozes, en zeide: Laat ons vrijmoedig optrekken, en dat erfelijk bezitten; want wij zullen dat voorzeker overweldigen!  
 
Num 13:31
 
Maar de mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij.  
 
Num 13:32
 
Alzo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen Israels, zeggende: Dat land, door hetwelk wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, hetwelk wij in het midden van hetzelve gezien hebben, zijn mannen van grote lengte.  
 
Num 13:33
 
Wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Leviticus 1Numbers 121 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 Numbers 14Deuteronomy 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards