| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Num 10:1 | Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
| |
| | Num 10:2 | Maak u twee zilveren trompetten; van dicht werk zult gij ze maken; en zij zullen u zijn tot de samenroeping der vergadering, en tot den optocht der legers.
| |
| | Num 10:3 | Als zij met dezelve blazen zullen, dan zal de gehele vergadering tot u vergaderd worden, aan de deur van de tent der samenkomst.
| |
| | Num 10:4 | Maar als zij met de ene zullen blazen, dan zullen tot u vergaderd worden de oversten, de hoofden der duizenden van Israel.
| |
| | Num 10:5 | Als gij met een gebroken geklank blazen zult, dan zullen de legers, die tegen het oosten gelegerd zijn, optrekken.
| |
| | Num 10:6 | Maar als gij ten tweeden male met een gebroken klank blazen zult, zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een gebroken klank zullen zij blazen tot hun optochten.
| |
| | Num 10:7 | Maar in het verzamelen van de gemeente, zult gij blazen, doch geen gebroken geklank maken.
| |
| | Num 10:8 | En de zonen van Aaron, de priesters, zullen met die trompetten blazen; en zij zullen ulieden zijn tot een eeuwige inzetting bij uw geslachten.
| |
| | Num 10:9 | En wanneer gijlieden in uw land ten strijde zult trekken tegen den vijand, die u benauwt, zult gij ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal uwer gedacht worden voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en gij zult van uw vijanden verlost worden.
| |
| | Num 10:10 | Desgelijks ten dage uwer vrolijkheid, en in uw gezette hoogtijden, en in de beginselen uwer maanden, zult gij ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben de HEERE, uw God!
| |
| | Num 10:11 | En het geschiedde in het tweede jaar, in de tweede maand, op den twintigsten van de maand, dat de wolk verheven werd van boven den tabernakel der getuigenis.
| |
| | Num 10:12 | En de kinderen Israels togen op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinai; en de wolk bleef in de woestijn Paran.
| |
| | Num 10:13 | Alzo togen zij vooreerst op, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.
| |
| | Num 10:14 | Want vooreerst toog op de banier van het leger der kinderen van Juda, naar hun heiren; en over zijn heir was Nahesson, de zoon van Amminadab.
| |
| | Num 10:15 | En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneel, den zoon van Zuar.
| |
| | Num 10:16 | En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.
| |
| | Num 10:17 | Toen werd de tabernakel afgenomen, en de zonen van Gerson, en de zonen van Merari togen op, dragende den tabernakel.
| |
| | Num 10:18 | Daarna toog de banier van het leger van Ruben, naar hun heiren; en over zijn heir was Elizur, de zoon van Sedeur.
| |
| | Num 10:19 | En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
| |
| | Num 10:20 | En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuel.
| |
| | Num 10:21 | Toen togen op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en de anderen richtten den tabernakel op, tegen dat dezen kwamen.
| |
| | Num 10:22 | Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraim, naar hun heiren; en over het heir was Elisama, de zoon van Ammihud.
| |
| | Num 10:23 | En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur.
| |
| | Num 10:24 | En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.
| |
| | Num 10:25 | Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiezer de zoon van Ammisaddai.
| |
| | Num 10:26 | En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Pagiel, de zoon van Ochran.
| |
| | Num 10:27 | En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.
| |
| | Num 10:28 | Dit waren de tochten der kinderen Israels, naar hun heiren, als zij reisden.
| |
| | Num 10:29 | Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuel, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israel het goede gesproken.
| |
| | Num 10:30 | Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap gaan.
| |
| | Num 10:31 | En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult gij ons tot ogen zijn.
| |
| | Num 10:32 | En het zal geschieden, als gij met ons zult gaan, en het goede geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.
| |
| | Num 10:33 | Zo togen zij drie dagreizen van den berg des HEEREN; en de ark des verbonds des HEEREN reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.
| |
| | Num 10:34 | En de wolk des HEEREN was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden.
| |
| | Num 10:35 | Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden!
| |
| | Num 10:36 | En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, HEERE! tot de tien duizenden der duizenden van Israel!
| |