 |
 |
| |
| | Statenvertaling 1750 |  | |  | | | | | Hsa 3:1 | En de HEERE zeide tot mij: Ga wederom henen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de HEERE de kinderen Israels bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen der druiven.
| | | | Hsa 3:2 | En ik kocht ze mij voor vijftien zilverlingen, en een homer gerst, en een halven homer gerst.
| | | | Hsa 3:3 | En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen na mij blijven zitten (gij zult niet hoereren, noch een anderen man geworden), en ik ook na u.
| | | | Hsa 3:4 | Want de kinderen Israels zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim.
| | | | Hsa 3:5 | Daarna zullen zich de kinderen Israels bekeren, en zoeken den HEERE, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot den HEERE en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen.
| | |  |
|
|
|  |