All NT OTBook
Compare Texts
Jeremiah 1 Lamentations 2

Lamentations 3:1-66

Lamentations 4 Ezekiel 1

Statenvertaling 1750

 
 
 
Lam 3:1
 
Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.  
 
Lam 3:2
 
Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.  
 
Lam 3:3
 
Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.  
 
Lam 3:4
 
Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.  
 
Lam 3:5
 
Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.  
 
Lam 3:6
 
Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.  
 
Lam 3:7
 
Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.  
 
Lam 3:8
 
Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.  
 
Lam 3:9
 
Gimel. Hij heeft mijn wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.  
 
Lam 3:10
 
Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.  
 
Lam 3:11
 
Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.  
 
Lam 3:12
 
Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld.  
 
Lam 3:13
 
He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan.  
 
Lam 3:14
 
He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.  
 
Lam 3:15
 
He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.  
 
Lam 3:16
 
Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.  
 
Lam 3:17
 
Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.  
 
Lam 3:18
 
Vau. Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den HEERE.  
 
Lam 3:19
 
Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle.  
 
Lam 3:20
 
Zain. Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij.  
 
Lam 3:21
 
Zain. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen;  
 
Lam 3:22
 
Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;  
 
Lam 3:23
 
Cheth. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot.  
 
Lam 3:24
 
Cheth. De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen.  
 
Lam 3:25
 
Teth. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt.  
 
Lam 3:26
 
Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN.  
 
Lam 3:27
 
Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt.  
 
Lam 3:28
 
Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft.  
 
Lam 3:29
 
Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.  
 
Lam 3:30
 
Jod. Hij geve zijn wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad.  
 
Lam 3:31
 
Caph. Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid.  
 
Lam 3:32
 
Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid Zijner goedertierenheden.  
 
Lam 3:33
 
Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensen kinderen niet van harte.  
 
Lam 3:34
 
Lamed. Dat men al de gevangenen der aarde onder Zijn voeten verbrijzelt;  
 
Lam 3:35
 
Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten;  
 
Lam 3:36
 
Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?  
 
Lam 3:37
 
Mem. Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt?  
 
Lam 3:38
 
Mem. Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?  
 
Lam 3:39
 
Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.  
 
Lam 3:40
 
Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den HEERE.  
 
Lam 3:41
 
Nun. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zeggende:  
 
Lam 3:42
 
Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard.  
 
Lam 3:43
 
Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood. Gij hebt niet verschoond.  
 
Lam 3:44
 
Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam.  
 
Lam 3:45
 
Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken.  
 
Lam 3:46
 
Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.  
 
Lam 3:47
 
Pe. De vreze en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking.  
 
Lam 3:48
 
Pe. Met waterbeken loopt mijn oog neder, vanwege de breuk der dochter mijns volks.  
 
Lam 3:49
 
Ain. Mijn oog vliet, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is;  
 
Lam 3:50
 
Ain. Totdat het de HEERE van den hemel aanschouwe, en het zie.  
 
Lam 3:51
 
Ain. Mijn oog doet mijn ziele moeite aan, vanwege al de dochteren mijner stad.  
 
Lam 3:52
 
Tsade. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd.  
 
Lam 3:53
 
Tsade. Zij hebben mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben een steen op mij geworpen.  
 
Lam 3:54
 
Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden!  
 
Lam 3:55
 
Koph. HEERE! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit den ondersten kuil.  
 
Lam 3:56
 
Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.  
 
Lam 3:57
 
Koph. Gij hebt U genaderd ten dage, als ik U aanriep; Gij hebt gezegd: Vrees niet!  
 
Lam 3:58
 
Resch. HEERE! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost.  
 
Lam 3:59
 
Resch. HEERE! Gij hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft, oordeel mijn rechtzaak.  
 
Lam 3:60
 
Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.  
 
Lam 3:61
 
Schin. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij;  
 
Lam 3:62
 
Schin. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag.  
 
Lam 3:63
 
Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel.  
 
Lam 3:64
 
Thau. HEERE! geef hun weder die vergelding, naar het werk hunner handen.  
 
Lam 3:65
 
Thau. Geef hun een deksel des harten; Uw vloek zij over hen!  
 
Lam 3:66
 
Thau. Vervolg ze met toorn, en verdelg ze van onder den hemel des HEEREN.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Jeremiah 1Lamentations 21 2 3 4 5 Lamentations 4Ezekiel 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards