| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Pro 9:1 | De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.
| |
| | Pro 9:2 | Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel toegericht.
| |
| | Pro 9:3 | Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:
| |
| | Pro 9:4 | Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:
| |
| | Pro 9:5 | Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb.
| |
| | Pro 9:6 | Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
| |
| | Pro 9:7 | Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek.
| |
| | Pro 9:8 | Bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben.
| |
| | Pro 9:9 | Leer den wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen.
| |
| | Pro 9:10 | De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.
| |
| | Pro 9:11 | Want door Mij zullen uw dagen vermenigvuldigen, en de jaren des levens zullen u toegedaan worden.
| |
| | Pro 9:12 | Indien gij wijs zijt, gij zijt wijs voor uzelven; en zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen.
| |
| | Pro 9:13 | Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.
| |
| | Pro 9:14 | En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;
| |
| | Pro 9:15 | Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:
| |
| | Pro 9:16 | Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:
| |
| | Pro 9:17 | De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.
| |
| | Pro 9:18 | Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel.
| |