| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Pro 31:1 | De woorden van den koning Lemuel; de last, maarmede zijn moeder hem onderwees.
| |
| | Pro 31:2 | Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?
| |
| | Pro 31:3 | Geeft aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te verdelgen.
| |
| | Pro 31:4 | Het komt den koningen niet toe, o Lemuel! het komt den koningen niet toe wijn te drinken, en den prinsen, sterken drank te begeren;
| |
| | Pro 31:5 | Opdat hij niet drinke, en het gezette vergete, en de rechtzaak van alle verdrukten verandere.
| |
| | Pro 31:6 | Geeft sterken drank dengene, die verloren gaat, en wijn dengenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn;
| |
| | Pro 31:7 | Dat hij drinke, en zijn armoede vergete, en zijner moeite niet meer gedenke.
| |
| | Pro 31:8 | Open uw mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden.
| |
| | Pro 31:9 | Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.
| |
| | Pro 31:10 | Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.
| |
| | Pro 31:11 | Beth. Het hart haars heren vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken.
| |
| | Pro 31:12 | Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen haars levens.
| |
| | Pro 31:13 | Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen.
| |
| | Pro 31:14 | He. Zij is als de schepen eens koopmans; zij doet haar brood van verre komen.
| |
| | Pro 31:15 | Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.
| |
| | Pro 31:16 | Zain. Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard.
| |
| | Pro 31:17 | Cheth. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.
| |
| | Pro 31:18 | Teth. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit.
| |
| | Pro 31:19 | Jod. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten den spinrok.
| |
| | Pro 31:20 | Caph. Zij breidt haar handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige.
| |
| | Pro 31:21 | Lamed. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed.
| |
| | Pro 31:22 | Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper.
| |
| | Pro 31:23 | Nun. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands.
| |
| | Pro 31:24 | Samech. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert den koopman gordelen.
| |
| | Pro 31:25 | Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over den nakomenden dag.
| |
| | Pro 31:26 | Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.
| |
| | Pro 31:27 | Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.
| |
| | Pro 31:28 | Koph. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende:
| |
| | Pro 31:29 | Resch. Vele dochteren hebben deugdelijke gehandeld; maar gij gaat die allen te boven.
| |
| | Pro 31:30 | Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.
| |
| | Pro 31:31 | Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.
| |