| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Pro 2:1 | Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
| |
| | Pro 2:2 | Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
| |
| | Pro 2:3 | Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;
| |
| | Pro 2:4 | Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten;
| |
| | Pro 2:5 | Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.
| |
| | Pro 2:6 | Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
| |
| | Pro 2:7 | Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild dengenen, die oprechtelijk wandelen;
| |
| | Pro 2:8 | Opdat zij de paden des rechts houden; en Hij zal den weg Zijner gunstgenoten bewaren.
| |
| | Pro 2:9 | Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
| |
| | Pro 2:10 | Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
| |
| | Pro 2:11 | Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
| |
| | Pro 2:12 | Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;
| |
| | Pro 2:13 | Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;
| |
| | Pro 2:14 | Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;
| |
| | Pro 2:15 | Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;
| |
| | Pro 2:16 | Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;
| |
| | Pro 2:17 | Die den leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet;
| |
| | Pro 2:18 | Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
| |
| | Pro 2:19 | Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;
| |
| | Pro 2:20 | Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
| |
| | Pro 2:21 | Want de vromen zullen de aarde bewonen, en de oprechten zullen daarin overblijven;
| |
| | Pro 2:22 | Maar de goddelozen zullen van de aarde uitgeroeid worden, en de trouwelozen zullen er van uitgerukt worden.
| |