| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Psa 8:1 | Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith. (8:2) O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.
| |
| | Psa 8:2 | (8:3) Uit den mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.
| |
| | Psa 8:3 | (8:4) Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;
| |
| | Psa 8:4 | (8:5) Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?
| |
| | Psa 8:5 | (8:6) En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?
| |
| | Psa 8:6 | (8:7) Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
| |
| | Psa 8:7 | (8:8) Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.
| |
| | Psa 8:8 | (8:9) Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt.
| |
| | Psa 8:9 | (8:10) O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!
| |