| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Psa 2:1 | Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?
| |
| | Psa 2:2 | De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:
| |
| | Psa 2:3 | Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.
| |
| | Psa 2:4 | Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.
| |
| | Psa 2:5 | Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.
| |
| | Psa 2:6 | Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.
| |
| | Psa 2:7 | Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
| |
| | Psa 2:8 | Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.
| |
| | Psa 2:9 | Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.
| |
| | Psa 2:10 | Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!
| |
| | Psa 2:11 | Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.
| |
| | Psa 2:12 | Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
| |