All NT OTBook
Compare Texts
Job 1 Psalms 17

Psalms 18:1-50

Psalms 19 Proverbs 1

Statenvertaling 1750

 
 
 
Psa 18:1
 
Voor den opperzangmeester, een psalm van David, den knecht des HEEREN, die de woorden dezes lieds tot den HEERE gesproken heeft, ten dage, als hem de HEERE gered had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul. (18:2) Hij zeide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!  
 
Psa 18:2
 
(18:3) De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek.  
 
Psa 18:3
 
(18:4) Ik riep den HEERE aan, die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.  
 
Psa 18:4
 
(18:5) Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.  
 
Psa 18:5
 
(18:6) Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.  
 
Psa 18:6
 
(18:7) Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.  
 
Psa 18:7
 
(18:8) Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.  
 
Psa 18:8
 
(18:9) Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.  
 
Psa 18:9
 
(18:10) En Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten.  
 
Psa 18:10
 
(18:11) En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.  
 
Psa 18:11
 
(18:12) Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.  
 
Psa 18:12
 
(18:13) Van den glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen.  
 
Psa 18:13
 
(18:14) En de HEERE donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen.  
 
Psa 18:14
 
(18:15) En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.  
 
Psa 18:15
 
(18:16) En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus.  
 
Psa 18:16
 
(18:17) Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.  
 
Psa 18:17
 
(18:18) Hij verloste mij van mijn sterken vijand, en van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.  
 
Psa 18:18
 
(18:19) Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij tot een Steunsel.  
 
Psa 18:19
 
(18:20) En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.  
 
Psa 18:20
 
(18:21) De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.  
 
Psa 18:21
 
(18:22) Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.  
 
Psa 18:22
 
(18:23) Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.  
 
Psa 18:23
 
(18:24) Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.  
 
Psa 18:24
 
(18:25) Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar de reinigheid mijner handen, voor Zijn ogen.  
 
Psa 18:25
 
(18:26) Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.  
 
Psa 18:26
 
(18:27) Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.  
 
Psa 18:27
 
(18:28) Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij.  
 
Psa 18:28
 
(18:29) Want Gij doet mijn lamp lichten; de HEERE, mijn God, doet mijn duisternis opklaren.  
 
Psa 18:29
 
(18:30) Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.  
 
Psa 18:30
 
(18:31) Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.  
 
Psa 18:31
 
(18:32) Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?  
 
Psa 18:32
 
(18:33) Het is God, die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.  
 
Psa 18:33
 
(18:34) Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.  
 
Psa 18:34
 
(18:35) Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.  
 
Psa 18:35
 
(18:36) Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.  
 
Psa 18:36
 
(18:37) Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkelen hebben niet gewankeld.  
 
Psa 18:37
 
(18:38) Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder, totdat ik hen verdaan had.  
 
Psa 18:38
 
(18:39) Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.  
 
Psa 18:39
 
(18:40) Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.  
 
Psa 18:40
 
(18:41) En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.  
 
Psa 18:41
 
(18:42) Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.  
 
Psa 18:42
 
(18:43) Toen vergruisde ik hen als stof voor den wind; ik ruimde hen weg als slijk der straten.  
 
Psa 18:43
 
(18:44) Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks; Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.  
 
Psa 18:44
 
(18:45) Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen.  
 
Psa 18:45
 
(18:46) Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten.  
 
Psa 18:46
 
(18:47) De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God mijns heils!  
 
Psa 18:47
 
(18:48) De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;  
 
Psa 18:48
 
(18:49) Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.  
 
Psa 18:49
 
(18:50) Daarom zal ik U, o HEERE! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen;  
 
Psa 18:50
 
(18:51) Die de verlossingen Zijns konings groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Job 1Psalms 171 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 Psalms 19Proverbs 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards