| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Psa 132:1 | Een lied Hammaaloth. O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden;
| |
| | Psa 132:2 | Dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende:
| |
| | Psa 132:3 | Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme!
| |
| | Psa 132:4 | Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;
| |
| | Psa 132:5 | Totdat ik voor den HEERE een plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs!
| |
| | Psa 132:6 | Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaar.
| |
| | Psa 132:7 | Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank Zijner voeten.
| |
| | Psa 132:8 | Sta op, HEERE! tot Uw rust, Gij en de ark Uwer sterkte!
| |
| | Psa 132:9 | Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen.
| |
| | Psa 132:10 | Weer het aangezicht Uws Gezalfden niet af, om Davids, Uws knechts wil.
| |
| | Psa 132:11 | De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten.
| |
| | Psa 132:12 | Indien uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten.
| |
| | Psa 132:13 | Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende:
| |
| | Psa 132:14 | Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd.
| |
| | Psa 132:15 | Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.
| |
| | Psa 132:16 | En haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen.
| |
| | Psa 132:17 | Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht.
| |
| | Psa 132:18 | Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien.
| |