| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Psa 126:1 | Een lied Hammaaloth. Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen.
| |
| | Psa 126:2 | Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.
| |
| | Psa 126:3 | De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.
| |
| | Psa 126:4 | O HEERE! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden.
| |
| | Psa 126:5 | Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.
| |
| | Psa 126:6 | Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.
| |