| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Job 9:1 | Maar Job antwoordde en zeide:
| |
| | Job 9:2 | Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?
| |
| | Job 9:3 | Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden.
| |
| | Job 9:4 | Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
| |
| | Job 9:5 | Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn;
| |
| | Job 9:6 | Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden;
| |
| | Job 9:7 | Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren;
| |
| | Job 9:8 | Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;
| |
| | Job 9:9 | Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;
| |
| | Job 9:10 | Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.
| |
| | Job 9:11 | Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.
| |
| | Job 9:12 | Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?
| |
| | Job 9:13 | God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.
| |
| | Job 9:14 | Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
| |
| | Job 9:15 | Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.
| |
| | Job 9:16 | Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft.
| |
| | Job 9:17 | Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.
| |
| | Job 9:18 | Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.
| |
| | Job 9:19 | Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?
| |
| | Job 9:20 | Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.
| |
| | Job 9:21 | Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven.
| |
| | Job 9:22 | Dat is een ding, daarom zeg ik: Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij.
| |
| | Job 9:23 | Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.
| |
| | Job 9:24 | De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?
| |
| | Job 9:25 | En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien.
| |
| | Job 9:26 | Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt.
| |
| | Job 9:27 | Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;
| |
| | Job 9:28 | Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.
| |
| | Job 9:29 | Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden?
| |
| | Job 9:30 | Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;
| |
| | Job 9:31 | Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.
| |
| | Job 9:32 | Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.
| |
| | Job 9:33 | Er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht.
| |
| | Job 9:34 | Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;
| |
| | Job 9:35 | Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.
| |