| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Job 41:1 | (40:20) Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?
| |
| | Job 41:2 | (40:21) Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?
| |
| | Job 41:3 | (40:22) Zal hij aan u veel smekingen maken? Zal hij zachtjes tot u spreken?
| |
| | Job 41:4 | (40:23) Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?
| |
| | Job 41:5 | (40:24) Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters?
| |
| | Job 41:6 | (40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden?
| |
| | Job 41:7 | (40:26) Zult gij zijn huis met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd?
| |
| | Job 41:8 | (40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer.
| |
| | Job 41:9 | (40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden?
| |
| | Job 41:10 | (41:1) Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?
| |
| | Job 41:11 | (41:2) Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.
| |
| | Job 41:12 | (41:3) Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.
| |
| | Job 41:13 | (41:4) Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen?
| |
| | Job 41:14 | (41:5) Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.
| |
| | Job 41:15 | (41:6) Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.
| |
| | Job 41:16 | (41:7) Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.
| |
| | Job 41:17 | (41:8) Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.
| |
| | Job 41:18 | (41:9) Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.
| |
| | Job 41:19 | (41:10) Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
| |
| | Job 41:20 | (41:11) Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedenden pot en ruimen ketel.
| |
| | Job 41:21 | (41:12) Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.
| |
| | Job 41:22 | (41:13) In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.
| |
| | Job 41:23 | (41:14) De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.
| |
| | Job 41:24 | (41:15) Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.
| |
| | Job 41:25 | (41:16) Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.
| |
| | Job 41:26 | (41:17) Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier.
| |
| | Job 41:27 | (41:18) Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.
| |
| | Job 41:28 | (41:19) De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.
| |
| | Job 41:29 | (41:20) De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans.
| |
| | Job 41:30 | (41:21) Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.
| |
| | Job 41:31 | (41:22) Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
| |
| | Job 41:32 | (41:23) Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.
| |
| | Job 41:33 | (41:24) Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen.
| |
| | Job 41:34 | (41:25) Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
| |