| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Job 26:1 | Maar Job antwoordde en zeide:
| |
| | Job 26:2 | Hoe hebt gij geholpen dien, die zonder kracht is, en behouden den arm, die zonder sterkte is?
| |
| | Job 26:3 | Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
| |
| | Job 26:4 | Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?
| |
| | Job 26:5 | De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners.
| |
| | Job 26:6 | De hel is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf.
| |
| | Job 26:7 | Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet.
| |
| | Job 26:8 | Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.
| |
| | Job 26:9 | Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.
| |
| | Job 26:10 | Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.
| |
| | Job 26:11 | De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.
| |
| | Job 26:12 | Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.
| |
| | Job 26:13 | Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen.
| |
| | Job 26:14 | Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan den donder Zijner mogendheden verstaan?
| |