| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Job 25:1 | Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
| |
| | Job 25:2 | Heerschappij en vreze zijn bij Hem, Hij maakt vrede in Zijn hoogten.
| |
| | Job 25:3 | Is er een getal Zijner benden? En over wien staat Zijn licht niet op?
| |
| | Job 25:4 | Hoe zou dan een mens rechtvaardig zijn bij God, en hoe zou hij zuiver zijn, die van een vrouw geboren is?
| |
| | Job 25:5 | Zie, tot de maan toe, en zij zal geen schijnsel geven; en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen.
| |
| | Job 25:6 | Hoeveel te min de mens, die een made is, en des mensen kind, die een worm is!
| |