| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Job 23:1 | Maar Job antwoordde en zeide:
| |
| | Job 23:2 | Ook heden is mijn klacht wederspannigheid; mijn plage is zwaar boven mijn zuchten.
| |
| | Job 23:3 | Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen;
| |
| | Job 23:4 | Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
| |
| | Job 23:5 | Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
| |
| | Job 23:6 | Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan.
| |
| | Job 23:7 | Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.
| |
| | Job 23:8 | Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet.
| |
| | Job 23:9 | Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij Zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet.
| |
| | Job 23:10 | Doch Hij kent den weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.
| |
| | Job 23:11 | Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
| |
| | Job 23:12 | Het gebod Zijner lippen heb ik ook niet weggedaan; de redenen Zijns monds heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd.
| |
| | Job 23:13 | Maar is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren? Wat Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen.
| |
| | Job 23:14 | Want Hij zal volbrengen, dat over mij bescheiden is; en diergelijke dingen zijn er vele bij Hem.
| |
| | Job 23:15 | Hierom word ik voor Zijn aangezicht beroerd; aanmerk het, en vrees voor Hem;
| |
| | Job 23:16 | Want God heeft mijn hart week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd;
| |
| | Job 23:17 | Omdat ik niet uitgedelgd ben voor de duisternis, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft.
| |