All NT OTBook
Compare Texts
2 Kings 1 1 Chronicles 10

1 Chronicles 11:1-47

1 Chronicles 12 2 Chronicles 1

Statenvertaling 1750

 
 
 
1Ch 11:1
 
Toen vergaderde zich gans Israel tot David naar Hebron, zeggende: Zie, wij zijn uw gebeente en uw vlees.  
 
1Ch 11:2
 
Zelfs ook te voren, toen Saul nog koning was, hebt gij Israel uitgeleid en ingeleid; ook heeft de HEERE, uw God, tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israel weiden, en gij zult voorganger zijn van Mijn volk Israel.  
 
1Ch 11:3
 
Ook kwamen alle oudsten in Israel tot den koning naar Hebron, en David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des HEEREN; en zij zalfden David ten koning over Israel, naar het woord des HEEREN, door den dienst van Samuel.  
 
1Ch 11:4
 
En David toog henen, en gans Israel, naar Jeruzalem, welke is Jebus; want daar waren de Jebusieten, de inwoners des lands.  
 
1Ch 11:5
 
En de inwoners van Jebus zeiden tot David: Gij zult hier niet inkomen. David dan nog won den burg Sion, welke is de stad Davids.  
 
1Ch 11:6
 
Want David zeide: Al wie de Jebusieten het eerst slaat, zal tot een hoofd, en tot een overste worden. Toen beklom Joab, de zoon van Zeruja, dien het eerst; daarom werd hij tot een hoofd.  
 
1Ch 11:7
 
David nu woonde op den burg; daarom heet men dien de stad Davids.  
 
1Ch 11:8
 
En hij bouwde de stad rondom, van Millo af, en rondom henen; en Joab vernieuwde het overige der stad.  
 
1Ch 11:9
 
En David ging geduriglijk voort, en werd groot, want de HEERE der heirscharen was met hem.  
 
1Ch 11:10
 
Dezen nu waren de hoofden der helden, die David had, die zich dapper bij hem gedragen hebben in zijn koninkrijk bij geheel Israel, om hem koning te maken, naar het woord des HEEREN over Israel.  
 
1Ch 11:11
 
Dezen nu zijn van het getal der helden, die David had: Jasobam, de zoon van Hachmoni, was het hoofd der dertigen, die zijn spies tegen driehonderd opheffende, hen op eenmaal versloeg.  
 
1Ch 11:12
 
En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, de Ahohiet; hij was onder die drie helden.  
 
1Ch 11:13
 
Hij was met David te Pas-dammim, als de Filistijnen daar ten strijde vergaderd waren, en het stuk des akkers vol gerst was, en het volk voor het aangezicht der Filistijnen vlood;  
 
1Ch 11:14
 
En zij stelden zich in het midden van dat stuk, en beschermden het, en zij sloegen de Filistijnen; en de HEERE verloste hen door een grote verlossing.  
 
1Ch 11:15
 
En drie uit de dertig hoofden togen af naar den rotssteen tot David in de spelonk van Adullam; en het leger der Filistijnen had zich gelegerd in het dal Refaim.  
 
1Ch 11:16
 
En David was toen in de vesting en de bezetting der Filistijnen was toen te Bethlehem.  
 
1Ch 11:17
 
En David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die onder de poort is?  
 
1Ch 11:18
 
Toen braken die drie door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die onder de poort is, en zij droegen het en brachten het tot David. Doch David wilde het niet drinken, maar hij goot het uit voor den HEERE;  
 
1Ch 11:19
 
En hij zeide: Dat late mijn God verre van mij zijn, van zulks te doen! Zou ik het bloed dezer mannen drinken? Met gevaar huns levens, ja, met gevaar huns levens hebben zij dat gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden.  
 
1Ch 11:20
 
Abisai nu, de broeder van Joab, was ook het hoofd van drie; en hij, verheffende zijn spies tegen driehonderd, versloeg hen; alzo had hij een naam onder die drie.  
 
1Ch 11:21
 
Uit die drie was hij geeerd boven de twee; daarom werd hij hun tot een overste; maar hij kwam tot aan de eerste drie niet.  
 
1Ch 11:22
 
Benaja, de zoon van Jojada, de zoon eens dapperen mans van Kabzeel, was groot van daden; hij versloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en versloeg een leeuw in het midden des kuils, in den sneeuwtijd.  
 
1Ch 11:23
 
Hij versloeg ook een Egyptischen man, een man van grote lengte, van vijf ellen; en die Egyptenaar had een spies in de hand, als een weversboom; maar hij ging tot hem af met een staf, en rukte de spies uit de hand des Egyptenaars, en hij doodde hem met zijn eigen spies.  
 
1Ch 11:24
 
Deze dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; dies had hij een naam onder die drie helden.  
 
1Ch 11:25
 
Ziet, hij was de heerlijkste van die dertig; nochtans kwam hij tot aan de drie niet. En David stelde hem over zijn trawanten.  
 
1Ch 11:26
 
De helden nu der heiren waren: Asahel, de broeder van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;  
 
1Ch 11:27
 
Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;  
 
1Ch 11:28
 
Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;  
 
1Ch 11:29
 
Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;  
 
1Ch 11:30
 
Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;  
 
1Ch 11:31
 
Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;  
 
1Ch 11:32
 
Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;  
 
1Ch 11:33
 
Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;  
 
1Ch 11:34
 
Van de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet;  
 
1Ch 11:35
 
Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;  
 
1Ch 11:36
 
Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;  
 
1Ch 11:37
 
Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;  
 
1Ch 11:38
 
Joel, de broeder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;  
 
1Ch 11:39
 
Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;  
 
1Ch 11:40
 
Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;  
 
1Ch 11:41
 
Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;  
 
1Ch 11:42
 
Adina, de zoon van Siza, de Rubeniet, was het hoofd der Rubenieten; nochtans waren er dertig boven hem;  
 
1Ch 11:43
 
Hanan, de zoon van Maacha, en Josafat, de Mithniet;  
 
1Ch 11:44
 
Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiel, de zoon van Hotham, den Aroeriet;  
 
1Ch 11:45
 
Jediael, de zoon van Simri, en Joha, zijn broeder, de Tiziet;  
 
1Ch 11:46
 
Eliel, Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;  
 
1Ch 11:47
 
Eliel en Obed, en Jaaziel van Mezobaja.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
2 Kings 11 Chronicles 101 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 1 Chronicles 122 Chronicles 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards