All NT OTBook
Compare Texts
2 Kings 1 2 Kings 25

1 Chronicles 1:1-54

1 Chronicles 2 2 Chronicles 1

Statenvertaling 1750

 
 
 
1Ch 1:1
 
Adam, Seth, Enos,  
 
1Ch 1:2
 
Kenan, Mahalal-el, Jered,  
 
1Ch 1:3
 
Henoch, Methusalah, Lamech,  
 
1Ch 1:4
 
Noach, Sem, Cham en Jafeth.  
 
1Ch 1:5
 
De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.  
 
1Ch 1:6
 
En de kinderen van Gomer waren Askenaz, en Difath, en Thogarma.  
 
1Ch 1:7
 
En de kinderen van Javan waren Elisa en Tharsisa, de Chittieten en Dodanieten.  
 
1Ch 1:8
 
De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraim, Put, en Kanaan.  
 
1Ch 1:9
 
En de kinderen van Cusch waren Seba, en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha; en de kinderen van Raema waren Scheba en Dedan.  
 
1Ch 1:10
 
Cusch nu gewon Nimrod; die begon geweldig te zijn op aarde.  
 
1Ch 1:11
 
En Mitsraim gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,  
 
1Ch 1:12
 
En de Pathrusieten, en de Casluchieten, (van welke de Filistijnen zijn voortgekomen) en de Cafthorieten.  
 
1Ch 1:13
 
Kanaan nu gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,  
 
1Ch 1:14
 
En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet,  
 
1Ch 1:15
 
En den Heviet, en den Arkiet, en den Siniet,  
 
1Ch 1:16
 
En den Arvadiet, en den Zemariet, en den Hamathiet.  
 
1Ch 1:17
 
De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.  
 
1Ch 1:18
 
Arfachsad nu gewon Selah, en Selah gewon Heber.  
 
1Ch 1:19
 
Aan Heber nu zijn twee zonen geboren; de naam des enen was Peleg, omdat in zijn dagen het aardrijk verdeeld is, en de naam zijns broeders was Joktan.  
 
1Ch 1:20
 
En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,  
 
1Ch 1:21
 
En Hadoram, en Uzal, en Dikla,  
 
1Ch 1:22
 
En Ebal, en Abimael, en Scheba,  
 
1Ch 1:23
 
En Ofir, en Havila, en Jobab. Alle dezen waren zonen van Joktan.  
 
1Ch 1:24
 
Sem, Arfachsad, Selah,  
 
1Ch 1:25
 
Heber, Peleg, Rehu,  
 
1Ch 1:26
 
Serug, Nahor, Terah,  
 
1Ch 1:27
 
Abram; die is Abraham.  
 
1Ch 1:28
 
De kinderen van Abraham waren Izak en Ismael.  
 
1Ch 1:29
 
Dit zijn hun geboorten: de eerstgeborene van Ismael was Nebajoth, en Kedar, en Adbeel, en Mibsam,  
 
1Ch 1:30
 
Misma en Duma, Massa, Hadad en Thema,  
 
1Ch 1:31
 
Jetur, Nafis, en Kedma; deze zijn de kinderen van Ismael.  
 
1Ch 1:32
 
De kinderen nu van Ketura, Abrahams bijwijf: die baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Midian, en Isbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan.  
 
1Ch 1:33
 
De kinderen van Midian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abida, en Eldaa. Die allen waren zonen van Ketura.  
 
1Ch 1:34
 
Abraham nu gewon Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israel.  
 
1Ch 1:35
 
En de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuel, en Jehus, en Jaelam, en Korah.  
 
1Ch 1:36
 
De kinderen van Elifaz waren Theman, en Omar, Zefi, en Gaetham, Kenaz, en Timna, en Amalek.  
 
1Ch 1:37
 
De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.  
 
1Ch 1:38
 
De kinderen van Seir nu waren Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan.  
 
1Ch 1:39
 
De kinderen van Lotan nu waren Hori en Homam; en de zuster van Lotan was Timna.  
 
1Ch 1:40
 
De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana.  
 
1Ch 1:41
 
De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.  
 
1Ch 1:42
 
De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Zaavan, en Jaakan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran.  
 
1Ch 1:43
 
Dit nu zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land van Edom, eer er een koning regeerde over de kinderen Israels: Bela, de zoon van Beor; en de naam zijner stad was Dinhaba.  
 
1Ch 1:44
 
En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.  
 
1Ch 1:45
 
En Jobab stierf, en Husam, uit het land der Themanieten, regeerde in zijn plaats.  
 
1Ch 1:46
 
En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en de naam zijner stad was Avith.  
 
1Ch 1:47
 
En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.  
 
1Ch 1:48
 
En Samla stierf, en Saul, van Rehoboth aan de rivier, regeerde in zijn plaats.  
 
1Ch 1:49
 
En Saul stierf, en Baal-hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.  
 
1Ch 1:50
 
Als Baal-hanan stierf, zo regeerde Hadad in zijn plaats, en de naam zijner stad was Pahi, en de naam zijner huisvrouw was Mehetabeel, de dochter van Matred, dochter van Mee-sahab.  
 
1Ch 1:51
 
Toen Hadad stierf, zo werden vorsten in Edom: de vorst Timna, de vorst Alja, de vorst Jetheth,  
 
1Ch 1:52
 
De vorst Aholi-bama, de vorst Ela, de vorst Pinon,  
 
1Ch 1:53
 
De vorst Kenaz, de vorst Theman, de vorst Mibzar,  
 
1Ch 1:54
 
De vorst Magdiel, de vorst Iram. Dezen waren de vorsten van Edom.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
2 Kings 12 Kings 251 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 1 Chronicles 22 Chronicles 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards