| |
Statenvertaling 1750 |  | |
 |
| |
| | Gen 49:1 | Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zeide: Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, hetgeen u in de navolgende dagen wedervaren zal.
| |
| | Gen 49:2 | Komt samen en hoort, gij, zonen van Jakob! en hoort naar Israel, uw vader.
| |
| | Gen 49:3 | Ruben! gij zijt mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin mijner macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte!
| |
| | Gen 49:4 | Snelle afloop als der wateren, gij zult de voortreffelijkste niet zijn! want gij hebt uws vaders leger beklommen; toen hebt gij het geschonden; hij heeft mijn bed beklommen!
| |
| | Gen 49:5 | Simeon en Levi zijn gebroeders! hun handelingen zijn werktuigen van geweld!
| |
| | Gen 49:6 | Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt.
| |
| | Gen 49:7 | Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; en hun verbolgenheid, want zij is hard! ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israel.
| |
| | Gen 49:8 | Juda! gij zijt het, u zullen uw broeders loven; uw hand zal zijn op den nek uwer vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen.
| |
| | Gen 49:9 | Juda is een leeuwenwelp! gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan?
| |
| | Gen 49:10 | De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn.
| |
| | Gen 49:11 | Hij bindt zijn jongen ezel aan den wijnstok, en het veulen zijner ezelin aan den edelsten wijnstok; hij wast zijn kleed in den wijn, en zijn mantel in wijndruivenbloed.
| |
| | Gen 49:12 | Hij is roodachtig van ogen door den wijn, en wit van tanden door de melk.
| |
| | Gen 49:13 | Zebulon zal aan de haven der zeeen wonen, en hij zal aan de haven der schepen wezen; en zijn zijde zal zijn naar Sidon.
| |
| | Gen 49:14 | Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken.
| |
| | Gen 49:15 | Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder cijns.
| |
| | Gen 49:16 | Dan zal zijn volk richten, als een der stammen Israels.
| |
| | Gen 49:17 | Dan zal een slang zijn aan den weg, een adderslang nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijder achterover valle.
| |
| | Gen 49:18 | Op uw zaligheid wacht ik, HEERE!
| |
| | Gen 49:19 | Aangaande Gad, een bende zal hem aanvallen; maar hij zal haar aanvallen in het einde.
| |
| | Gen 49:20 | Van Aser, zijn brood zal vet zijn; en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.
| |
| | Gen 49:21 | Nafthali is een losgelaten hinde; hij geeft schone woorden.
| |
| | Gen 49:22 | Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein; elk der takken loopt over den muur.
| |
| | Gen 49:23 | De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat;
| |
| | Gen 49:24 | Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden, door de handen van den Machtige Jakobs; daarvan is hij een herder, een steen Israels;
| |
| | Gen 49:25 | Van uws vaders God, Die u zal helpen, en van den Almachtige, Die u zal zegenen, met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen des afgronds, die daaronder ligt, met zegeningen der borsten en der baarmoeder!
| |
| | Gen 49:26 | De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op den hoofdschedel des afgezonderden zijner broederen!
| |
| | Gen 49:27 | Benjamin zal als een wolf verscheuren; des morgens zal hij roof eten, en des avonds zal hij buit uitdelen.
| |
| | Gen 49:28 | Al deze stammen van Israel zijn twaalf; en dit is het, wat hun vader tot hen sprak, als hij hen zegende; hij zegende hen, een iegelijk naar zijn bijzonderen zegen.
| |
| | Gen 49:29 | Daarna gebood hij hun, en zeide tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk: begraaft mij bij mijn vaders, in de spelonk, die is in den akker van Efron, den Hethiet;
| |
| | Gen 49:30 | In de spelonk, welke is op den akker van Machpela, die tegenover Mamre is, in het land Kanaan, die Abraham met dien akker gekocht heeft van Efron, den Hethiet, tot een erfbegrafenis.
| |
| | Gen 49:31 | Aldaar hebben zij Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw; daar hebben zij Izak begraven, en Rebekka, zijn huisvrouw; en daar heb ik Lea begraven.
| |
| | Gen 49:32 | De akker, en de spelonk, die daarin is, is gekocht van de zonen Heths.
| |
| | Gen 49:33 | Als Jakob voleind had aan zijn zonen bevelen te geven, zo leide hij zijn voeten samen op het bed, en hij gaf den geest, en hij werd verzameld tot zijn volken.
| |