All NT OTBook
Compare Texts
Genesis 20

Genesis 21:1-34

Genesis 22 Exodus 1

Statenvertaling 1750

 
 
 
Gen 21:1
 
En de HEERE bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en de HEERE deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.  
 
Gen 21:2
 
En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had.  
 
Gen 21:3
 
En Abraham noemde den naam zijns zoons, die hem geboren was, dien hem Sara gebaard had, Izak.  
 
Gen 21:4
 
En Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht dagen oud, gelijk als hem God geboden had.  
 
Gen 21:5
 
En Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd.  
 
Gen 21:6
 
En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.  
 
Gen 21:7
 
Voorts zeide zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.  
 
Gen 21:8
 
En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een groten maaltijd op den dag, als Izak gespeend werd.  
 
Gen 21:9
 
En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende.  
 
Gen 21:10
 
En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.  
 
Gen 21:11
 
En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.  
 
Gen 21:12
 
Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.  
 
Gen 21:13
 
Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is.  
 
Gen 21:14
 
Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba.  
 
Gen 21:15
 
Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder een van de struiken.  
 
Gen 21:16
 
En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met den boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en weende.  
 
Gen 21:17
 
En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is.  
 
Gen 21:18
 
Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.  
 
Gen 21:19
 
En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken.  
 
Gen 21:20
 
En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter.  
 
Gen 21:21
 
En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.  
 
Gen 21:22
 
Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, mitsgaders Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat gij doet.  
 
Gen 21:23
 
Zo zweer mij nu hier bij God: Zo gij mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij, en bij het land, waarin gij als vreemdeling verkeert.  
 
Gen 21:24
 
En Abraham zeide: Ik zal zweren.  
 
Gen 21:25
 
En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden.  
 
Gen 21:26
 
Toen zeide Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden.  
 
Gen 21:27
 
En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden maakten een verbond.  
 
Gen 21:28
 
Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder.  
 
Gen 21:29
 
Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?  
 
Gen 21:30
 
En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb.  
 
Gen 21:31
 
Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.  
 
Gen 21:32
 
Alzo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land der Filistijnen.  
 
Gen 21:33
 
En hij plantte een bos in Ber-seba, en riep aldaar den Naam des HEEREN, des eeuwigen Gods, aan.  
 
Gen 21:34
 
En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in het land der Filistijnen.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Genesis 204 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 Genesis 22Exodus 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards