| |
Hollands LEI |  | |
 |
| |
| | 1Sa 27:1 | Zo maakte David zich op en trok, met de zeshonderd man die bij hem waren, naar Achis, den zoon van Maoch, den koning van Gath.
| |
| | 1Sa 27:2 | En David vestigde zich bij Achis te Gath met zijn mannen, ieder met zijn gezin; David met zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreelietische, en Abigail, de vrouw van Nabal, den Karmeliet.
| |
| | 1Sa 27:3 | En Saul, vernemende dat David naar Gath was gevloden, zocht niet langer naar hem.
| |
| | 1Sa 27:4 | Toen zeide David tot Achis: Indien ik gunst in uw oog gevonden heb, laat men mij dan een verblijfplaats geven in een of andere landstad om daar te wonen. Waarom zou uw dienaar in de koningsstad bij u wonen?
| |
| | 1Sa 27:5 | En Achis gaf hem te dien dage Siklag. Daarom heeft Siklag aan de koningen van Juda behoord tot op dezen dag.
| |
| | 1Sa 27:6 | De tijd dien David in het land der Filistijnen doorgebracht heeft is geweest een jaar en vier maanden.
| |
| | 1Sa 27:7 | David nu en zijn mannen gingen strooptochten doen in het land der Gesjurieten en Amalekieten; want dezen bewoonden het land van Telam tot Egypteland.
| |
| | 1Sa 27:8 | David sloeg het land, liet man noch vrouw in leven en roofde kleinvee en runderen, ezels en kamelen en klederen.
| |
| | 1Sa 27:9 | Als hij dan bij Achis terugkwam en Achis hem vroeg: Waar hebt gij vandaag een strooptocht gedaan? zo zeide David: In het zuiden der Judeers, of: in het zuiden der Jerahmeelieten, of: in het zuiden der Kenieten.
| |
| | 1Sa 27:10 | En David liet man noch vrouw in leven om ze naar Gath te brengen; want, dacht hij, anders zullen zij van ons vertellen: Zo heeft David gehandeld. Aldus ging hij tewerk zolang hij in het land der Filistijnen woonde.
| |
| | 1Sa 27:11 | Achis nu vertrouwde David en dacht: Hij heeft zich voorgoed bij zijn volk, bij Israel, in een kwaden reuk gebracht. Nu zal hij voor altijd mij dienstbaar zijn.
| |
| | 1Sa 27:12 | In die dagen verzamelden de Filistijnen hun leger ten oorlog om met Israel strijd te voeren. Toen zeide Achis tot David: Weet wel dat gij met uw mannen met mij te velde moet trekken.
| |