All NT OTBook
Compare Texts
Romans 1 1 Corinthians 9

1 Corinthians 10:1-33

1 Corinthians 11 2 Corinthians 1

Hollands LEI

 
 
 
1Cr 10:1
 
Broeders, ik wil er u niet onkundig van laten dat onze voorvaderen allen onder de wolk waren en allen de zee doortrokken;  
 
1Cr 10:2
 
en allen zijn door de wolk en door de zee zo gedoopt dat zij Mozes toebehoorden.  
 
1Cr 10:3
 
Ook hebben zij allen hetzelfde geestelijk voedsel gegeten,  
 
1Cr 10:4
 
allen denzelfden geestelijken drank gedronken; want zij dronken uit de geestelijke rots, die met hen meetrok--die rots nu was Christus.  
 
1Cr 10:5
 
Toch heeft God in de meesten van hen geen welgevallen gehad; want zij werden in de woestijn neergeveld.  
 
1Cr 10:6
 
Dit nu is geschied om vooruit af te beelden wat met ons kan geschieden; opdat wij niet begerig naar slechte dingen zouden zijn, zoals zij begerig zijn geweest  
 
1Cr 10:7
 
noch afgodendienaars zouden worden, zoals sommigen van hen; gelijk geschreven staat: Het volk zette zich neer om te eten en te drinken, en het stond op om te spelen.  
 
1Cr 10:8
 
Laten wij ook niet hoereren, zoals sommigen van hen gehoereerd hebben, en op een dag vielen er drie en twintig duizend.  
 
1Cr 10:9
 
Laten wij ook niet den Heer op de proef stellen, zoals sommigen van hen Hem op de proef gesteld hebben, en zij kwamen om door de slangen.  
 
1Cr 10:10
 
Mort niet zoals sommigen van hen gemord hebben en zij kwamen om door den Verderver.  
 
1Cr 10:11
 
Dat dit hun overkwam was een voorspelling en is opgeschreven tot waarschuwing van ons, die aan het eind van het bestaan der wereld leven.  
 
1Cr 10:12
 
Derhalve, wie meent te staan zie toe dat hij niet valle.  
 
1Cr 10:13
 
Nog zijt gij aan geen beproeving blootgesteld dan aan een voor menselijke krachten berekende, en God is getrouw: Hij zal niet gedogen dat gij boven uw krachten beproefd wordt, maar tegelijk met de beproeving ook den uitweg geven; zodat gij ze kunt doorstaan.  
 
1Cr 10:14
 
Daarom mijn geliefden, vliedt de afgoderij.  
 
1Cr 10:15
 
Ik spreek als tot verstandige mensen; beoordeelt zelf wat ik zeg.  
 
1Cr 10:16
 
Is de gebedsbeker dien wij zegenen niet gemeenschap met het bloed van Christus? Is het brood dat wij breken niet gemeenschap met het lichaam van Christus?  
 
1Cr 10:17
 
Immers, het is een brood; een lichaam zijn wij, hoe talrijk ook; wij allen toch hebben deel aan hetzelfde brood.  
 
1Cr 10:18
 
Ziet naar het aardse Israel. Hebben zij die van de offers eten niet deel aan het altaar?  
 
1Cr 10:19
 
Zeg ik daarmee dat vlees van een afgod iets is, of dat een afgod iets is?  
 
1Cr 10:20
 
Neen; maar dat hetgeen zij offeren zij het aan duivelen offeren en niet aan God, en ik wil niet dat gij enige gemeenschap met duivelen zoudt hebben.  
 
1Cr 10:21
 
Gij kunt niet den beker des Heeren drinken en tevens den beker der duivelen; gij kunt niet deelnemen aan de tafel des Heeren en tevens aan de tafel van duivelen.  
 
1Cr 10:22
 
Of willen wij den Heer naijverig maken? Zijn wij soms sterker dan hij?  
 
1Cr 10:23
 
Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig; alles is geoorloofd, maar niet alles is stichtelijk.  
 
1Cr 10:24
 
Niemand zoeke zijn eigen belang, maar ieder zoeke dat van zijn naaste.  
 
1Cr 10:25
 
Eet alwat in de vleeshal verkocht wordt, zonderdat uw geweten enig onderscheid maakt;  
 
1Cr 10:26
 
want aan den Heer behoort de aarde en haar volheid.  
 
1Cr 10:27
 
Nodigt een ongelovige u en hebt gij lust te gaan, eet van alwat u wordt voorgezet, zonder, om des gewetens wil, naar de herkomst te vragen.  
 
1Cr 10:28
 
Maar indien iemand tot u zegt: Dit is offervleesch--eet er dan niet van ter wille van hem die er u opmerkzaam op gemaakt heeft, en om het geweten.  
 
1Cr 10:29
 
Ik bedoel niet uw eigen geweten, maar dat van den ander. Want waarom zou mijn vrijheid door het geweten van een ander veroordeeld worden?  
 
1Cr 10:30
 
Indien ik met dankbaarheid iets geniet, waarom word ik dan gehoond om iets waarvoor ik God dank?  
 
1Cr 10:31
 
Derhalve, hetzij gij eet, hetzij gij drinkt of iets anders doet, doet alles ter ere Gods.  
 
1Cr 10:32
 
Geeft geen aanstoot, noch aan de Joden, noch aan de heidenen, noch aan de gemeente Gods,  
 
1Cr 10:33
 
zoals ook ik aan allen zoek te behagen, niet in mijn eigen belang, maar in dat der schare, opdat zij gered worde.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Romans 11 Corinthians 91 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 1 Corinthians 112 Corinthians 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards