All NT OTBook
Compare Texts
John 1 Acts 26

Acts 27:1-44

Acts 28 Romans 1

Hollands LEI

 
 
 
Act 27:1
 
Toen besloten werd dat wij naar Italie zouden scheepgaan, stelde men Paulus en enige andere gevangenen in handen van een officier Julius, van het keizerlijk bataljon.  
 
Act 27:2
 
Wij gingen dan in een schip van Adramyttium, dat voor de kustplaatsen van Azie bestemd was, en voeren af. Bij ons was Aristarchus, de Macedonier, uit Thessalonica.  
 
Act 27:3
 
Den volgenden dag gingen wij te Sidon aan land, waar Julius uit welwillendheid voor Paulus hem toestond naar zijn vrienden te gaan en zich te laten verzorgen.  
 
Act 27:4
 
Van daar voeren wij af en zeilden onder Cyprus heen, omdat de wind tegen was,  
 
Act 27:5
 
staken de zee langs Cilicie en Pamfylie over en kwamen aan te Myrra in Lycie.  
 
Act 27:6
 
Daar vond de officier een Alexandrijnsch schip dat naar Italie voer en bracht ons daarop over.  
 
Act 27:7
 
Toen wij vele dagen langzaam gevaren hadden en met moeite bij Knidus gekomen waren, voeren wij, daar de wind ons niet meeliep, op de hoogte van Salmone, langs Kreta,  
 
Act 27:8
 
zeilden het met moeite om en kwamen aan een plaats Schoonehavens genaamd, dicht bij de stad Lasea.  
 
Act 27:9
 
Daar nu geruime tijd verstreken was en de scheepvaart gevaarlijk werd, omdat de vasten reeds voorbij was, waarschuwde Paulus hen:  
 
Act 27:10
 
Mannen, ik zie dat het roekeloosheid is verder te gaan en wij veel schade zullen lijden, niet alleen aan lading en schip, maar zelfs zo dat ons leven gevaar loopt.  
 
Act 27:11
 
Doch de officier gaf meer gehoor aan den stuurman en den kapitein dan aan de woorden van Paulus,  
 
Act 27:12
 
en omdat de haven ongeschikt was er te overwinteren, vonden de meesten het geraden van daar af te varen om zo mogelijk Fenix te bereiken, een haven van Kreta, die naar het zuidwesten en het noordwesten open is om daar te overwinteren.  
 
Act 27:13
 
Daar een zachte zuidenwind woei, meenden zij dit voornemen te kunnen volvoeren, lichtten het anker en zeilden langs Kreta.  
 
Act 27:14
 
Maar niet lang daarna sloeg van daar een stormwind neer, de zoogenaamde Euraquilo.  
 
Act 27:15
 
Die dreef het schip voort; wij konden tegen den wind niet op en lieten ons zonder weerstand te bieden drijven.  
 
Act 27:16
 
Gekomen onder de beschutting van zeker eilandje, Klaude geheten, konden wij met moeite de boot machtig worden;  
 
Act 27:17
 
men haalde ze op en trachtte zich te redden door het schip te ondergorden. Uit vrees van op de Syrtis te vervallen, haalde men het tuig neer en liet zich zo drijven.  
 
Act 27:18
 
Toen wij door den storm hevig geteisterd werden, wierpen zij den volgenden dag een deel der lading overboord,  
 
Act 27:19
 
en den dag daarna gooiden zij met eigen hand het scheepsgereedschap in zee.  
 
Act 27:20
 
Daar verscheiden dagen lang zon noch maan te zien was en een geweldige storm ons bestookte, werd ons alle hoop op redding benomen.  
 
Act 27:21
 
Toen men geruimen tijd zonder eten gebleven was, ging Paulus in hun midden staan en zeide: Mannen, men had mij gehoor moeten geven en niet van Kreta zijn vertrokken; dan zou deze roekeloosheid en schade voorkomen zijn.  
 
Act 27:22
 
Maar nu vermaan ik u moed te houden; want geen van u zal zijn leven verliezen; alleen het schip is verloren.  
 
Act 27:23
 
Want van nacht stond bij mij een engel van den God wien ik toebehoor en dien ik vereer;  
 
Act 27:24
 
hij zeide: Vrees niet, Paulus, gij moet voor den keizer staan, en zie, God heeft u geschonken allen die met u op het schip zijn.  
 
Act 27:25
 
Houdt daarom moed, mannen; want dit vertrouwen op God heb ik dat het geschieden zal zoals mij is gezegd.  
 
Act 27:26
 
Maar wij moeten op het een of ander eiland stranden.  
 
Act 27:27
 
Den veertienden nacht, toen wij in de Adriatische Zee omdreven, vermoedden de schepelingen te middernacht dat zij land naderden.  
 
Act 27:28
 
Zij wierpen het dieplood uit en vonden twintig vademen; wat verder peilden zij weer en vonden vijftien vademen;  
 
Act 27:29
 
uit vrees dat wij ergens op een rotsgrond zouden stoten, wierpen zij van den achtersteven vier ankers uit, terwijl zij sterk verlangden dat het dag werd.  
 
Act 27:30
 
Toen het scheepsvolk het schip trachtte te verlaten en de boot in zee neerliet, onder het voorwendsel ook van den voorsteven ankers te willen uitbrengen,  
 
Act 27:31
 
zeide Paulus tot den officier en de soldaten: Indien zij niet in het schip blijven, kunt gij niet gered worden.  
 
Act 27:32
 
Toen kapten de soldaten de touwen van de boot en lieten haar vallen.  
 
Act 27:33
 
Tegen dat het dag werd, spoorde Paulus allen aan iets te eten. Het is vandaag, zeide hij, de veertiende dag dat gij zonder te eten in gespannen verwachting blijft en niets gebruikt hebt.  
 
Act 27:34
 
Daarom raad ik u aan iets te eten; want dat dient tot uw behoud. Immers, van niemand uwer zal een haar teloorgaan.  
 
Act 27:35
 
Na dit gezegd te hebben nam hij brood, dankte God voor aller oog, brak het en begon te eten.  
 
Act 27:36
 
En allen schepten moed en namen ook voedsel.  
 
Act 27:37
 
Wij in het schip waren allen tezamen tweehonderd zes en zeventig zielen.  
 
Act 27:38
 
Na zich verzadigd te hebben, wierpen zij het koorn in zee om het schip te verlichten.  
 
Act 27:39
 
Toen het dag werd, herkenden zij het land niet, maar bespeurden een bocht met een strand en besloten, zo mogelijk, het schip daarop te zetten.  
 
Act 27:40
 
Zij kapten de ankers en lieten ze in zee achter, maakten tegelijk de riemen van het roer los, haalden het voorzeil op en hielden, voor den wind zeilend, op den oever aan.  
 
Act 27:41
 
Maar zij vervielen op een landtong onder water en lieten het schip daar stranden; de voorsteven raakte vast en bleef onbeweeglijk, de achtersteven werd door de branding stukgeslagen.  
 
Act 27:42
 
De soldaten spraken er van de gevangenen te doden, uit vrees dat een hunner zou wegzwemmen en ontsnappen;  
 
Act 27:43
 
maar de officier, die Paulus wilde redden, belette hun het uit te voeren en beval dat eerst zij die konden zwemmen in zee zouden springen om aan land te komen,  
 
Act 27:44
 
daarna de overigen op planken en andere delen van het schip. En zo kwamen allen behouden aan land.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
John 1Acts 261 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 Acts 28Romans 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards