All NT OTBook
Compare Texts
Mark 1 Luke 14

Luke 15:1-32

Luke 16 John 1

Hollands LEI

 
 
 
Luk 15:1
 
Al de tollenaars en zondaars kwamen tot hem om hem te horen,  
 
Luk 15:2
 
en de Farizeen en schriftgeleerden zeiden morrend: Die man ontvangt zondaren en eet met hen.  
 
Luk 15:3
 
Toen zeide hij tot hen de volgende gelijkenis:  
 
Luk 15:4
 
Wie van u zal, als hij honderd schapen heeft en een daarvan verliest, niet de negen en negentig in de woestijn achterlaten en dat verlorene gaan zoeken totdat hij het heeft gevonden?  
 
Luk 15:5
 
En vindt hij het, dan legt hij het verheugd op zijn schouders,  
 
Luk 15:6
 
roept thuis gekomen zijn vrienden en buren bijeen en zegt: Weest blijde met mij; want ik heb mijn verloren schaap gevonden!  
 
Luk 15:7
 
Ik zeg u: Zo zal in den hemel meer blijdschap zijn over een zondaar die zich bekeert dan over negen en negentig rechtschapenen, die geen bekering behoeven.  
 
Luk 15:8
 
Of welke vrouw die tien zilverstukken heeft zal niet, als zij er een van verliest, een lamp aansteken, het huis vegen en zorgvuldig zoeken totdat zij het gevonden heeft?  
 
Luk 15:9
 
En heeft zij het gevonden, dan roept zij vriendinnen en buren samen en zegt: Weest blijde met mij; want ik heb het muntstuk dat ik verloren had gevonden!  
 
Luk 15:10
 
Desgelijks, zeg ik u, ontstaat er blijdschap bij de engelen Gods over een zondaar die zich bekeert.  
 
Luk 15:11
 
Ook zeide hij: Zeker mens had twee zonen.  
 
Luk 15:12
 
De jongste zeide tot zijn vader: Vader, geef mij het deel van het goed dat mij toekomt. Hij verdeelde het vermogen onder hen.  
 
Luk 15:13
 
En na korten tijd pakte de jongste zoon alles bijeen en vertrok naar een ver land, waar hij zijn vermogen in een losbandig leven verkwistte.  
 
Luk 15:14
 
Toen hij alles had doorgebracht, kwam een zware hongersnood in dat land en begon hij gebrek te lijden.  
 
Luk 15:15
 
Nu trad hij in dienst bij een der burgers van dat land, en deze zond hem op het veld om zwijnen te hoeden.  
 
Luk 15:16
 
En hij begeerde zijn maag te vullen met den draf der zwijnen, en niemand gaf hem dien.  
 
Luk 15:17
 
Toen zeide hij, tot zichzelf inkerend: Hoevele huurlingen van mijn vader hebben brood in overvloed, en ik kom hier van honger om.  
 
Luk 15:18
 
Ik wil opstaan en naar mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel en tegen u;  
 
Luk 15:19
 
ik ben niet meer waard uw zoon te heten; maak mij tot een van uw huurlingen.  
 
Luk 15:20
 
Hij stond dan op en ging naar zijn vader. En toen hij nog ver weg was, zag hem zijn vader en werd ontroerd van meedogen; hij liep op hem toe, viel hem om den hals en kuste hem.  
 
Luk 15:21
 
De zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel en tegen u: ik ben niet meer waard uw zoon te heten.  
 
Luk 15:22
 
Maar de vader zeide tot zijn slaven: Haalt spoedig het beste kleed en trekt het hem aan, doet een ring aan zijn vinger en schoenen aan zijn voeten,  
 
Luk 15:23
 
haalt het gemeste kalf, slacht het en laat ons eten en vrolijk zijn;  
 
Luk 15:24
 
want deze zoon van mij was dood en is levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden. Toen begonnen zij feest te vieren.  
 
Luk 15:25
 
Zijn oudste zoon nu was op het veld en hoorde, toen hij naar huis keerde en naderbijkwam, muziek en dans.  
 
Luk 15:26
 
Hij riep dan een der knechten en vroeg hem wat dat beduidde.  
 
Luk 15:27
 
Deze zeide: Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond teruggekregen heeft.  
 
Luk 15:28
 
Nu werd hij toornig en wilde niet naar binnen gaan. Zijn vader kwam naar buiten en drong er op aan;  
 
Luk 15:29
 
maar hij gaf hem ten antwoord: Zie nu eens, zoveel jaren dien ik u, en ik heb nooit uw gebod overtreden. Toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren.  
 
Luk 15:30
 
Maar nu die zoon van u komt die uw goed met gemene vrouwen heeft doorgebracht, slacht gij voor hem het gemeste kalf.  
 
Luk 15:31
 
Hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is het uwe;  
 
Luk 15:32
 
gij moest dus feestvieren en blij zijn; want deze broeder van u was dood en is levend geworden, was verloren en is teruggevonden.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Mark 1Luke 141 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 Luke 16John 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards