All NT OTBook
Compare Texts
Matthew 1 Mark 12

Mark 13:1-37

Mark 14 Luke 1

Hollands LEI

 
 
 
Mar 13:1
 
Toen hij den tempel verliet, zeide een zijner leerlingen: Meester, zie wat een stenen en gebouwen!  
 
Mar 13:2
 
En Jezus zeide: Ziet gij die grote gebouwen? Geen dier stenen zal op den anderen blijven liggen; alles zal worden gesloopt.  
 
Mar 13:3
 
Toen hij dan op den Olijfberg, tegenover den tempel zat, vroegen hem Petrus, Jacobus, Johannes en Andreas--de anderen waren er niet bij:  
 
Mar 13:4
 
Zeg ons, wanneer zal dat geschieden, en waaraan zullen wij weten dat dit alles ten einde zal gaan?  
 
Mar 13:5
 
Nu begon Jezus hun te zeggen: Ziet toe dat niemand u verleide.  
 
Mar 13:6
 
Velen zullen komen mijn naam aannemend en zeggen dat ik het ben, en zullen velen verleiden.  
 
Mar 13:7
 
Wanneer gij van oorlogen en oorlogsgeruchten hoort, wordt dan niet ontroerd; dat moet komen, maar is het einde nog niet.  
 
Mar 13:8
 
Want volk zal tegen volk opstaan, en rijk tegen rijk; hier en daar zullen aardbevingen zijn, er zullen hongersnoden ontstaan. Dat is het begin der weeen.  
 
Mar 13:9
 
Neemt u in acht; men zal u overleveren aan rechtbanken, en gij zult in synagogen gegeseld worden, voor stadhouders en koningen terechtstaan om mijnentwil om voor hen getuigenis af te leggen.  
 
Mar 13:10
 
En eerst moet aan alle volken de Blijmare verkondigd worden.  
 
Mar 13:11
 
Wanneer zij u dan wegvoeren om u over te leveren, maakt u dan niet bezorgd over wat gij zeggen zult, maar spreekt uit wat u in dat uur ingegeven zal worden. Want gij zijt het niet die spreekt, maar de Heilige Geest.  
 
Mar 13:12
 
Dan zal de ene broeder den anderen ter dood overleveren, een vader zijn kind, kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en zullen hen doden;  
 
Mar 13:13
 
en gij zult door allen gehaat worden omdat gij mijn naam draagt; maar wie volhardt tot het einde, die zal gered worden.  
 
Mar 13:14
 
Wanneer gij den Gruwel der Verwoesting ziet staan waar hij niet mag staan--wie dit leest lette er op! --dat dan zij die in Judea zijn vluchten naar het gebergte;  
 
Mar 13:15
 
wie op het dak is kome niet af en ga niet naar binnen om iets uit zijn huis mee te nemen;  
 
Mar 13:16
 
wie op den akker is kere niet terug naar wat hij achtergelaten heeft om zijn mantel te halen.  
 
Mar 13:17
 
Wee in die dagen de zwangere en de zoogende vrouwen.  
 
Mar 13:18
 
Bidt dat het niet in den winter geschiede;  
 
Mar 13:19
 
want die dagen zullen een tijd van druk zijn, zoals er van het begin van Gods schepping af niet geweest is en nooit meer zijn zal.  
 
Mar 13:20
 
Indien de Heer die dagen niet verkortte, zou geen schepsel behouden blijven; maar ter wille der uitverkorenen, hen die Hij uitverkoren heeft, zal Hij die dagen verkorten.  
 
Mar 13:21
 
Wanneer dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus! zie, hij is daar! gelooft het niet;  
 
Mar 13:22
 
er zullen valse Christussen en valse profeten opstaan en grote wonderen en voorspellingen doen om, zo mogelijk, de uitverkorenen te verleiden.  
 
Mar 13:23
 
Ziet gij goed toe; ik heb u alles voorzegd.  
 
Mar 13:24
 
Maar in die dagen, na deze verdrukking, zal de zon verduisterd worden en de maan ophouden te glanzen,  
 
Mar 13:25
 
zullen de sterren van den hemel vallen en de hemelse machten wankelen.  
 
Mar 13:26
 
En dan zal men den Mensenzoon zien komen op de wolken met grote macht en heerlijkheid.  
 
Mar 13:27
 
Dan zal hij de engelen uitzenden en zijn uitverkorenen verzamelen van de vier windstreken, van het eind der aarde tot het eind des hemels.  
 
Mar 13:28
 
Leert van den vijgeboom deze gelijkenis: Wanneer zijn takken saprijk worden en zijn bladeren uitspruiten, dan weet gij dat de zomer nabij is;  
 
Mar 13:29
 
zo ook, wanneer gij dit alles ziet gebeuren, weet dan dat het voor de deur staat.  
 
Mar 13:30
 
Voorwaar, ik zeg u, dit geslacht gaat niet voorbij voordat dit alles is geschied.  
 
Mar 13:31
 
Hemel en aarde zullen voorbijgaan, mijn woorden niet.  
 
Mar 13:32
 
Maar van dien dag en dat uur weet niemand, zelfs de engelen in den hemel niet, noch de Zoon; alleen de Vader.  
 
Mar 13:33
 
Ziet toe, waakt; want gij weet niet wanneer de tijd daar is.  
 
Mar 13:34
 
Het is als met een mens die op reis is gegaan; hij heeft zijn huis overgegeven en het beheer aan zijn slaven opgedragen; aan ieder gaf hij zijn werk, en den deurwachter beval hij te waken.  
 
Mar 13:35
 
Waakt dan; want gij weet niet wanneer de heer des huizes komt, 's avonds laat of te middernacht of bij het hanengekraai of 's morgens vroeg.  
 
Mar 13:36
 
Laat hij niet onverwachts komen en u slapend vinden.  
 
Mar 13:37
 
Wat ik u zeg zeg ik allen: Waakt.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Matthew 1Mark 121 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 Mark 14Luke 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards