All NT OTBook
Compare Texts
Malachi 1 Matthew 25

Matthew 26:1-75

Matthew 27 Mark 1

Hollands LEI

 
 
 
Mat 26:1
 
Na deze rede ten einde gebracht te hebben, zeide Jezus tot zijn leerlingen:  
 
Mat 26:2
 
Gij weet dat het over twee dagen Pasen is; dan zal de Mensenzoon worden overgeleverd om gekruisigd te worden.  
 
Mat 26:3
 
Toen kwamen de overpriesters en de oudsten des volks samen in het paleis des hogepriesters, Kajafas geheten,  
 
Mat 26:4
 
en besloten zich met list van Jezus meester te maken en hem te doden;  
 
Mat 26:5
 
maar, zeiden zij, niet op het feest; er mocht eens oproer onder het volk komen.  
 
Mat 26:6
 
Toen Jezus te Bethanie in het huis van Simon den melaatse was,  
 
Mat 26:7
 
kwam tot hem een vrouw met een fles kostbare reukolie, die zij, terwijl hij aan tafel aanlag, over zijn hoofd uitgoot.  
 
Mat 26:8
 
Toen de leerlingen dit zagen, namen zij het zeer kwalijk en dachten: Waartoe dient deze verspilling?  
 
Mat 26:9
 
men had dit duur kunnen verkopen en het geld aan de armen geven.  
 
Mat 26:10
 
Jezus die hen doorzag zeide tot hen: Wat valt gij deze vrouw lastig? Zij heeft een goed werk aan mij gedaan.  
 
Mat 26:11
 
Want de armen hebt gij altijd bij u, maar mij niet.  
 
Mat 26:12
 
Toen zij deze mirre op mijn lichaam goot, deed zij dat bij voorbaat voor mijn begrafenis.  
 
Mat 26:13
 
Voorwaar, ik zeg u, alwaar dit Evangelie verkondigd zal worden, waar ter wereld ook, daar zal ook, tot aandenken aan haar, gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft.  
 
Mat 26:14
 
Toen ging een der Twaalve, Judas de Iskarioter genaamd tot de overpriesters  
 
Mat 26:15
 
en zeide: Wat wilt gij mij geven als ik hem u overlever? zij betaalden hem dertig zilverlingen uit.  
 
Mat 26:16
 
Van toen af zocht hij een goede gelegenheid om hem over te leveren.  
 
Mat 26:17
 
Op den eersten dag der ongezuurde brooden kwamen de leerlingen tot Jezus en zeiden: Waar wilt gij dat wij voor u het Paaschmaal aanrichten?  
 
Mat 26:18
 
Hij zeide: Gaat in de stad naar die en die en zegt hem: De meester zegt: Mijn tijd is nabij; ik wil bij u Pasen vieren met mijn leerlingen.  
 
Mat 26:19
 
De leerlingen deden zoals Jezus hun bevolen had en richtten het Paaschmaal aan.  
 
Mat 26:20
 
's Avonds lag hij aan met de twaalf leerlingen.  
 
Mat 26:21
 
En onder den maaltijd zeide hij: Voorwaar, ik zeg u, een van u zal mij overleveren.  
 
Mat 26:22
 
Zij werden daarover zeer bedroefd en begonnen allen, hoofd voor hoofd, tot hem te zeggen: Ik ben het toch niet, Heer?  
 
Mat 26:23
 
Hij hernam: Een die met mij de hand in den schotel doopt, die zal mij overleveren.  
 
Mat 26:24
 
De Mensenzoon gaat wel heen, gelijk van hem geschreven staat, maar wee den mens door wien de Mensenzoon overgeleverd wordt! Het ware dien mens beter niet te zijn geboren.  
 
Mat 26:25
 
Nu zeide Judas, die hem zou overleveren: Ik ben het toch niet, rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd.  
 
Mat 26:26
 
Terwijl zij aten, nam Jezus brood, sprak er den zegen over uit, brak het en gaf het aan zijn leerlingen met de woorden: Neemt, eet; dit is mijn lichaam.  
 
Mat 26:27
 
Toen nam hij een beker op, sprak er den zegen over uit en gaf hun dien met de woorden: Drinkt hieruit allen.  
 
Mat 26:28
 
Want dit is mijn verbondsbloed, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.  
 
Mat 26:29
 
Ook zeg ik u: Ik zal van nu af van deze vrucht van den wijnstok niet meer drinken totdat ik ze met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van mijn Vader.  
 
Mat 26:30
 
Na den lofzang gezongen te hebben, gingen zij naar den Olijfberg.  
 
Mat 26:31
 
Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen in dezen nacht mij ontrouw worden; want er staat geschreven: Ik zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden  
 
Mat 26:32
 
en nadat ik opgestaan ben, zal ik u voorgaan naar Galilea.  
 
Mat 26:33
 
Petrus antwoordde hem: Al worden ook allen u ontrouw, ik nooit.  
 
Mat 26:34
 
Jezus zeide hem: Voorwaar, ik zeg u, in dezenzelfden nacht zult gij, voordat de haan kraait, mij driemaal verloochenen.  
 
Mat 26:35
 
Petrus zeide tot hem: Al moest ik ook met u sterven, verloochenen zal ik u niet. Hetzelfde zeiden de overige leerlingen.  
 
Mat 26:36
 
Toen ging Jezus met hen naar een plaats genaamd Gethsemane en zeide tot zijn leerlingen: Blijft hier zitten, totdat ik daar gebeden heb.  
 
Mat 26:37
 
Hij nam Petrus en de beide zonen van Zebedeus mee en begon bedroefd en beangst te worden.  
 
Mat 26:38
 
Toen zeide hij tot hen: Mijn ziel is dodelijk bedroefd; blijft hier en waakt met mij.  
 
Mat 26:39
 
Hij ging een klein eind verder en viel op zijn aangezicht, biddend: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat dezen beker mij voorbijgaan; doch niet zoals ik wil, maar zoals Gij wilt.  
 
Mat 26:40
 
Nu ging hij naar de leerlingen en vond hen in slaap. En hij zeide tot Petrus: kunt gijlieden dan niet een uur met mij waken?  
 
Mat 26:41
 
Waakt, en bidt niet in verzoeking te komen. De geest is wel gewillig, maar het vlees zwak.  
 
Mat 26:42
 
Ten tweeden male ging hij heen en bad: Mijn Vader, indien het niet mogelijk is dat hij voorbijgaat tenzij ik hem drinke, uw wil geschiede.  
 
Mat 26:43
 
Toen hij weer bij hen kwam, vond hij hen opnieuw in slaap; want hun ogen waren bezwaard.  
 
Mat 26:44
 
Hij liet hen slapen en ging ten derden male bidden, met wederom dezelfde woorden.  
 
Mat 26:45
 
Nu kwam hij bij de leerlingen en zeide tot hen: Slaapt dan voort en rust; zie, de ure is nabij waar op de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van zondaren.  
 
Mat 26:46
 
Staat op; laat ons gaan. Hij die mij overlevert is nabij.  
 
Mat 26:47
 
Terwijl hij nog sprak, daar kwam Judas, een van de Twaalve, vergezeld van een talrijke, met zwaarden en stokken gewapende bende, door de overpriesters en oudsten des volks gezonden.  
 
Mat 26:48
 
Zijn verrader had met hen een teken afgesproken: Hij dien ik kus, die is het; grijpt hem.  
 
Mat 26:49
 
En regelrecht op Jezus afgaande, zeide hij: Gegroet, rabbi! en kuste hem.  
 
Mat 26:50
 
Jezus zeide tot hem: Vriend, waarvoor gij hier zijt. Toen traden zij toe, sloegen de handen aan Jezus en grepen hem.  
 
Mat 26:51
 
Maar zie, een der metgezellen van Jezus stak zijn hand uit, trok zijn zwaard, trof den slaaf van den hogepriester en hieuw hem een oor af.  
 
Mat 26:52
 
Toen zeide Jezus tot hem: Steek uw zwaard op; want alwie naar het zwaard grijpen zullen door het zwaard omkomen.  
 
Mat 26:53
 
Of meent gij dat mijn Vader mij niet, als ik Hem daarom bad, aanstonds twaalf legioenen engelen ter zijde zou stellen?  
 
Mat 26:54
 
Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, volgens welke het zo geschieden moet?  
 
Mat 26:55
 
Terzelfder tijd zeide Jezus tot de bende: Zijt gij, als tegen een rover, met zwaarden en stokken uitgetrokken om mij gevangen te nemen? Dag aan dag zat ik in den tempel te leren, en gij hebt mij niet gegrepen.  
 
Mat 26:56
 
Maar dit alles is geschied opdat de schriften der profeten vervuld zouden worden. Toen lieten alle leerlingen hem aan zijn lot over en namen de vlucht.  
 
Mat 26:57
 
Zij die Jezus hadden gevangengenomen voerden hem naar den hogepriester Kajafas, bij wien de schriftgeleerden en de oudsten vergaderd waren.  
 
Mat 26:58
 
En Petrus volgde hem van verre tot het paleis van den hogepriester, trad binnen en ging bij de dienaren zitten om den afloop te zien.  
 
Mat 26:59
 
De overpriesters en de gehele Grote Raad zochten valse beschuldigingen tegen Jezus om hem ter dood te veroordelen;  
 
Mat 26:60
 
maar hoewel vele valse getuigen optraden, vonden zij er geen.  
 
Mat 26:61
 
Eindelijk traden twee op, die zeiden: Hij heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken en binnen drie dagen weer opbouwen.  
 
Mat 26:62
 
Nu stond de hogepriester op en zeide tot hem: Antwoordt gij niets op hetgeen zij tegen u inbrengen?  
 
Mat 26:63
 
Maar Jezus zweeg. De hogepriester zeide tot hem: Ik bezweer u bij den levenden God ons te zeggen, of gij de Christus, de Zoon Gods, zijt.  
 
Mat 26:64
 
Toen zeide Jezus tot hem: Gij hebt het gezegd. Maar ik zeg U: Van nu af aan zult gij den Mensenzoon zien zitten ter rechterhand der Kracht en komen op de wolken des hemels.  
 
Mat 26:65
 
Nu scheurde de hogepriester zijn klederen en zeide: Een godslastering! Wat hebben wij nog verder getuigen nodig? Ziet, nu hebt gij de godslastering gehoord.  
 
Mat 26:66
 
Wat dunkt u? En zij antwoordden: Hij is des doods schuldig.  
 
Mat 26:67
 
Toen spogen zij hem in het gezicht en stompten hem,  
 
Mat 26:68
 
en sommigen gaven hem een slag en zeiden dan: Toon ons nu, Christus, dat gij een profeet zijt! Wie heeft u geslagen?  
 
Mat 26:69
 
Petrus zat buiten in het binnenhof toen een der slavinnen naar hem toe kwam en zeide: Gij waart ook bij Jezus den Galileer!  
 
Mat 26:70
 
Maar hij loochende het ten aanhoren van allen en zeide: Ik weet niet wat gij zegt.  
 
Mat 26:71
 
En toen hij de poort wilde uitgaan, zag hem een andere en zeide tot hen die daar stonden: Deze was bij Jezus den Nazarener.  
 
Mat 26:72
 
Maar hij loochende het wederom, met een eed: Ik ken den mens niet.  
 
Mat 26:73
 
Kort daarna kwamen de omstanders nader en zeiden tot Petrus: ja waarlijk, gij zijt een van hen; want uw spraak verraadt u.  
 
Mat 26:74
 
Nu begon hij zichzelf te vervloeken en te zweren: Ik ken den mens niet.  
 
Mat 26:75
 
En dadelijk kraaide een haan. Toen herinnerde zich Petrus wat Jezus gezegd had: Voordat de haan kraait zult gij mij driemaal verloochenen. Hij ging naar buiten en weende bitterlijk.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Malachi 1Matthew 251 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 Matthew 27Mark 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards