All NT OTBook
Compare Texts
Malachi 1 Matthew 21

Matthew 22:1-46

Matthew 23 Mark 1

Hollands LEI

 
 
 
Mat 22:1
 
Wederom sprak Jezus tot hen in gelijkenissen, aldus:  
 
Mat 22:2
 
Het gaat met het Koninkrijk der hemelen als met een koning op aarde die voor zijn zoon een bruiloftsmaal aanrichtte  
 
Mat 22:3
 
en zijn dienaren uitzond om de genodigden ter bruiloft te roepen; maar zij wilden niet komen.  
 
Mat 22:4
 
Opnieuw zond hij andere dienaren met de opdracht: Zegt aan de genodigden: Zie, het maal heb ik bereid, mijn stieren en het mestvee zijn geslacht, en alles is gereed. Komt ter bruiloft.  
 
Mat 22:5
 
Maar, zonder zich hieraan te storen, gingen zij, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel;  
 
Mat 22:6
 
de overige grepen zijn dienaren, mishandelden en doodden ze.  
 
Mat 22:7
 
Toen werd de koning vertoornd, zond zijn krijgsknechten en liet die moordenaars ter doodbrengen en hun stad in brand steken.  
 
Mat 22:8
 
Nu zeide hij tot zijn dienaren: De bruiloft is wel bereid, maar de genodigden waren niet waard er op te komen;  
 
Mat 22:9
 
gaat derhalve op de kruispunten der wegen en nodigt alwie gij aantreft ter bruiloft.  
 
Mat 22:10
 
Die dienaren gingen de wegen op en brachten allen die zij aantroffen, bozen en goeden, mee; de zaal werd met gasten gevuld.  
 
Mat 22:11
 
Toen nu de koning binnentrad om de aanliggende gasten in ogenschouw te nemen, zag hij daar een mens die geen bruiloftskleed aan had.  
 
Mat 22:12
 
Hij zeide tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed? En hij verstomde.  
 
Mat 22:13
 
Toen zeide de koning tot de bedienden: Bindt hem handen en voeten en werpt hem in de buitenste duisternis; daar zal het geween en het tandengeknars zijn.  
 
Mat 22:14
 
Want velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren.  
 
Mat 22:15
 
Toen gingen de Farizeen samen overleggen, hoe zij hem door een strikvraag zouden vangen.  
 
Mat 22:16
 
Zij zonden enige hunner leerlingen met de Herodianen op hem af, met de vraag: Meester, wij weten dat gij een oprecht mens zijt, naar waarheid den weg Gods leert en u aan niemand stoort; want gij ziet geen mens naar de ogen;  
 
Mat 22:17
 
zeg ons dan: Wat denkt gij er van, is het geoorloofd den keizer belasting te betalen of niet?  
 
Mat 22:18
 
Maar Jezus doorzag hun bozen toeleg en zeide:  
 
Mat 22:19
 
Huichelaars, wat stelt gij mij op de proef? Laat mij de belastingmunt zien. Zij brachten hem een zilverling.  
 
Mat 22:20
 
En hij zeide: Wie is dat? Hoe luidt het opschrift?  
 
Mat 22:21
 
Zij zeiden: Dat is de keizer. Toen zeide hij tot hen: Geeft dan den keizer wat den keizer toekomt, en aan God wat Gode toekomt.  
 
Mat 22:22
 
Toen zij dit hoorden, verwonderden zij zich, verlieten hem en gingen heen.  
 
Mat 22:23
 
Op denzelfden dag kwamen Sadduceen tot hem, die de opstanding loochenen, en vroegen hem:  
 
Mat 22:24
 
Meester, Mozes heeft gezegd: Als iemand kinderloos sterft, dan moet zijn broeder met diens vrouw het zwagerhuwelijk sluiten en voor zijn broeder nakomelingen verwekken.  
 
Mat 22:25
 
Nu waren bij ons zeven broeders; de eerste huwde en stierf; daar hij geen kinderen had, liet hij dus zijn vrouw voor zijn broeder na;  
 
Mat 22:26
 
zo ging het ook met den tweeden, den derden en alle zeven.  
 
Mat 22:27
 
Ten laatste stierf ook de vrouw.  
 
Mat 22:28
 
In de opstanding nu, van wien dier zeven zal zij dan de vrouw zijn? Zij allen toch hebben haar gehad.  
 
Mat 22:29
 
Jezus gaf hun ten antwoord: Gij dwaalt; daar gij noch de Schriften noch Gods kracht kent.  
 
Mat 22:30
 
Want in de opstanding huwen zij niet en worden zij niet uitgehuwelijkt, maar zijn als engelen in den hemel.  
 
Mat 22:31
 
En wat de dodenopstanding betreft, hebt gij niet gelezen wat u door God gezegd is:  
 
Mat 22:32
 
Ik ben de God van Abraham, de God van Izaak, de God van Jakob? God is geen God van doden, maar van levenden.  
 
Mat 22:33
 
Toen de scharen dit woord hoorden, stonden zij versteld over zijn leer.  
 
Mat 22:34
 
Toen de Farizeen hoorden dat hij den Sadduceen den mond gestopt had, kwamen zij samen,  
 
Mat 22:35
 
en een van hen, een wetgeleerde, vroeg hem om hem op de proef te stellen:  
 
Mat 22:36
 
Meester, welk gebod is groot in de wet?  
 
Mat 22:37
 
Hij zeide tot hem: Gij zult den Heer uw God liefhebben met uw ganse hart, uw gehele ziel en al uw verstand,  
 
Mat 22:38
 
Dit is het grote en eerste gebod.  
 
Mat 22:39
 
Een tweede, dat hiermee gelijk staat, luidt: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.  
 
Mat 22:40
 
Aan deze twee geboden hangt de gehele Wet en Profeten.  
 
Mat 22:41
 
Toen de Farizeen bijeenwaren, vroeg Jezus hun:  
 
Mat 22:42
 
Wat gelooft gij van den Christus? Wiens zoon is hij? Zij zeiden tot hem: Davids zoon.  
 
Mat 22:43
 
Hij zeide tot hen: Hoe noemt dan David door den Geest hem heer, zoals hij doet in de woorden:  
 
Mat 22:44
 
De Heer heeft tot mijn heer gezegd: Zit aan mijn rechterhand tot dat Ik uw vijanden onder uw voeten zal gelegd hebben?  
 
Mat 22:45
 
Als David hem heer noemt, hoe is hij dan zijn zoon?  
 
Mat 22:46
 
En niemand kon hem hierop een woord antwoorden; ook waagde van dien dag af niemand het meer hem iets te vragen.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Malachi 1Matthew 211 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 Matthew 23Mark 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards