All NT OTBook
Compare Texts
Malachi 1 Matthew 13

Matthew 14:1-36

Matthew 15 Mark 1

Hollands LEI

 
 
 
Mat 14:1
 
Te dien tijde hoorde de viervorst Herodes van Jezus,  
 
Mat 14:2
 
en hij zeide tot zijn dienaren: Dat is Johannes de Doper; die is van de doden opgestaan; daarom werken die krachten in hem.  
 
Mat 14:3
 
Herodes toch had Johannes gegrepen, geketend en in de gevangenis geworpen ter zake van Herodias, de vrouw van zijn broeder Filippus;  
 
Mat 14:4
 
want Johannes zeide tot hem: Het is u niet geoorloofd haar te hebben.  
 
Mat 14:5
 
Gaarne zou hij hem hebben gedood; maar hij was bevreesd voor het volk, want dat hield hem voor een profeet.  
 
Mat 14:6
 
Maar toen het de verjaardag van Herodes was, danste de dochter van Herodias voor het gezelschap en behaagde zozeer aan Herodes  
 
Mat 14:7
 
dat hij met een eed beloofde haar te geven wat zij ook mocht verlangen.  
 
Mat 14:8
 
En zij, door haar moeder opgestookt, zeide: Geef mij hier op een schotel het hoofd van Johannes den Doper.  
 
Mat 14:9
 
De koning werd bedroefd, maar om zijn eed en om de gasten beval hij dat het zou gegeven worden  
 
Mat 14:10
 
en liet Johannes in de gevangenis onthoofden.  
 
Mat 14:11
 
Zijn hoofd werd op een schotel binnengebracht en aan het meisje gegeven, en zij bracht het aan haar moeder.  
 
Mat 14:12
 
Zijn leerlingen kwamen zijn lijk halen, begroeven het en gingen het gebeurde aan Jezus berichten.  
 
Mat 14:13
 
Op deze tijding scheepte Jezus zich in en vertrok naar een onbewoonde plaats, in de eenzaamheid; maar toen de schare dit hoorde, volgde zij hem te voet uit de steden.  
 
Mat 14:14
 
Toen hij uit het schip kwam, zag hij een talrijke schare, kreeg innig medelijden met haar en genas de zieken.  
 
Mat 14:15
 
Toen het avond werd, kwamen zijn leerlingen bij hem en zeiden: Deze plaats is onbewoond, en het is reeds laat; laat de scharen heengaan; dan kunnen zij zich naar de dorpen begeven om spijs te kopen.  
 
Mat 14:16
 
En Jezus zeide tot hen: Zij behoeven niet weg te gaan. Geeft gij hun te eten.  
 
Mat 14:17
 
Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben hier niets dan vijf brooden en twee vissen.  
 
Mat 14:18
 
Hij zeide: Brengt ze mij hier.  
 
Mat 14:19
 
Nu beval hij de scharen zich op het gras neer te vlijen, nam de vijf brooden en de twee vissen, sprak er, de ogen ten hemel geslagen, den zegen over uit, brak de brooden en gaf ze aan de leerlingen; dezen gaven ze aan de scharen.  
 
Mat 14:20
 
Allen aten en werden verzadigd, en men nam de overgeschoten brokken op, twaalf korven vol.  
 
Mat 14:21
 
Zij die gegeten hadden waren ongeveer vijfduizend mannen, behalve de vrouwen en kinderen.  
 
Mat 14:22
 
Dadelijk daarop drong hij de leerlingen zich in te schepen en vooruit over te varen, terwijl hij de schare zou laten gaan.  
 
Mat 14:23
 
En nadat hij de schare had laten gaan, ging hij den berg op om in de eenzaamheid te bidden. 's Avonds laat was hij daar alleen.  
 
Mat 14:24
 
Het vaartuig was reeds mijlenver van het land verwijderd, door de golven geteisterd; want de wind was tegen.  
 
Mat 14:25
 
En in de vierde nachtwake kwam hij naar hen toe, gaande over de zee.  
 
Mat 14:26
 
De leerlingen, hem op de zee ziende lopen, zeiden, verschrikt, dat het een spook was, en schreeuwden het uit van angst.  
 
Mat 14:27
 
Maar Jezus sprak hen dadelijk aan en zeide: Weest goedsmoeds; ik ben het; vreest niet.  
 
Mat 14:28
 
Nu gaf Petrus hem ten antwoord: Heer, als gij het zint, beveel mij dan op het water tot u te komen.  
 
Mat 14:29
 
Hij zeide: Kom. En Petrus klom uit het schip en liep op het water naar Jezus toe.  
 
Mat 14:30
 
Maar op het zien van den wind werd hij bevreesd en kreet toen hij begon te zinken: Heer, red mij!  
 
Mat 14:31
 
Aanstonds strekte Jezus zijn hand uit, greep hem en zeide tot hem: Kleingelovige, waarom geweifeld?  
 
Mat 14:32
 
Toen zij in het vaartuig waren geklommen, ging de wind liggen.  
 
Mat 14:33
 
En zij die in het schip waren vielen voor hem neder en zeiden: Gij zijt inderdaad de Zoon Gods!  
 
Mat 14:34
 
Zij staken dan over en landden in Gennezaret.  
 
Mat 14:35
 
En toen de lieden dier plaats inzagen wie hij was, zonden zij boden in den gehelen omtrek en brachten hem alle zieken,  
 
Mat 14:36
 
en dezen baden hem al was het slechts den kwast van zijn kleed te mogen aanraken. En zovelen dien aanraakten werden genezen.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Malachi 1Matthew 131 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 Matthew 15Mark 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards