All NT OTBook
Compare Texts
Malachi 1 Matthew 11

Matthew 12:1-50

Matthew 13 Mark 1

Hollands LEI

 
 
 
Mat 12:1
 
In dien tijd ging Jezus eens op een sabbat door een koornveld; daar zijn leerlingen honger hadden, begonnen zij aren te plukken en te eten.  
 
Mat 12:2
 
Toen de Farizeen dit zagen, zeiden zij tot hem: Zie, uw leerlingen doen iets dat men op den sabbat niet doen mag.  
 
Mat 12:3
 
Maar hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, wat David deed, toen hij, evenals zijn metgezellen, honger had?  
 
Mat 12:4
 
Hoe hij in het godshuis ging en zij van de toonbrooden aten, waarvan hij niet mocht eten, evenmin als zijn metgezellen; daar het alleen voor de priesters is?  
 
Mat 12:5
 
Of hebt gij niet in de wet gelezen dat de priesters op sabbat in het heiligdom den sabbat breken zonder schuld op zich te laden?  
 
Mat 12:6
 
En ik zeg u: iets groters dan de tempel is hier.  
 
Mat 12:7
 
Indien gij wist wat het woord betekent: Barmhartigheid wil Ik en geen offer, zoudt gij onschuldigen niet hebben veroordeeld.  
 
Mat 12:8
 
Want de Mensenzoon is heer van den sabbat.  
 
Mat 12:9
 
Van daar gaande, kwam hij in hun synagoge,  
 
Mat 12:10
 
en zie, daar was een mens met een verschrompelde hand. Toen vroeg men hem: Is het geoorloofd op sabbat te genezen? met het voornemen hem aan te klagen.  
 
Mat 12:11
 
En hij zeide tot hen: Wanneer een van u een enkel schaap heeft en dat valt op sabbat in een kuil, zal hij het niet grijpen en er uit halen?  
 
Mat 12:12
 
Welnu, hoeveel is niet een mens meer waard dan een schaap! Dus is het geoorloofd op sabbat een weldaad te bewijzen.  
 
Mat 12:13
 
Toen zeide hij tot den mens: Strek uw hand uit. Hij strekte ze uit, en zij was hersteld, gezond als de andere.  
 
Mat 12:14
 
Maar de Farizeen gingen tegen hem samenspannen om hem ten val te brengen.  
 
Mat 12:15
 
Toen Jezus dit te weten was gekomen, vertrok hij van daar. Velen volgden hem en hij genas hen allen,  
 
Mat 12:16
 
maar verbood hun streng hem bekend te maken;  
 
Mat 12:17
 
opdat vervuld werd wat door den profeet Jezaja gezegd is:  
 
Mat 12:18
 
Zie mijn knecht, dien Ik heb uitverkoren, mijn geliefde, in wien mijn ziel welgevallen heeft; Ik zal mijn geest op hem leggen, en hij zal den volken het oordeel aankondigen.  
 
Mat 12:19
 
Hij zal twisten noch schreeuwen, niemand zal op de straten zijn stem horen.  
 
Mat 12:20
 
Een geknakt riet breekt hij niet, en een walmende pit blust hij niet uit, totdat hij het recht doet zegepralen.  
 
Mat 12:21
 
Op zijn naam zullen de volken hopen.  
 
Mat 12:22
 
Toen werd tot hem een bezetene gebracht die blind en stom was, en hij genas hem, zodat de stomme sprak en zag;  
 
Mat 12:23
 
en al de scharen stonden versteld en zeiden: Zou deze niet de zoon Davids zijn?  
 
Mat 12:24
 
Maar toen de Farizeen dit hoorden, zeiden zij: Hij werpt de duivelen alleen uit door Beelzebul, den overste der duivelen.  
 
Mat 12:25
 
Daar hij wist wat in hen omging, zeide hij tot hen: Elk koninkrijk dat in strijd met zichzelf is zal verwoest worden; elke stad en elk huis dat met zichzelf in strijd is zal niet blijven bestaan.  
 
Mat 12:26
 
Welnu, indien de Satan den Satan uitwerpt, dan is hij in strijd met zichzelf; hoe zal dan zijn rijk blijven bestaan?  
 
Mat 12:27
 
Indien ik door Beelzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen dan uw zonen ze uit? Daarom zullen zij uw rechters zijn.  
 
Mat 12:28
 
Maar indien ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, dan is het Koninkrijk Gods reeds tot u gekomen.  
 
Mat 12:29
 
Of hoe kan iemand in het huis van een sterke binnenkomen en zijn huisraad roven, tenzij hij eerst den sterke boeit? Dan eerst kan hij zijn huis plunderen.  
 
Mat 12:30
 
Wie niet met mij is is tegen mij, en wie niet met mij verzamelt verstrooit.  
 
Mat 12:31
 
Daarom zeg ik u: Elke zonde en godslastering zal den mensen vergeven worden; maar het lasteren van den Geest zal niet vergeven worden.  
 
Mat 12:32
 
Als iemand een woord heeft gesproken tegen den Mensenzoon, het zal hem vergeven worden; maar heeft hij iets gezegd tegen den Heiligen Geest, het zal hem, noch in deze noch in de toekomende wereld, vergeven worden.  
 
Mat 12:33
 
Gij moet onderstellen, of dat de boom goed en zijn vrucht goed is, of dat de boom slecht en zijn vrucht slecht is; want uit de vrucht wordt de boom gekend.  
 
Mat 12:34
 
Adderengebroed! hoe kunt gij iets goeds zeggen terwijl gij boos zijt? Want waarvan het hart overvloeit daarover spreekt de mond.  
 
Mat 12:35
 
De goede mens haalt uit de bergplaats van zijn goed hart goede, de boze mens uit de bergplaats van zijn boos hart boze dingen te voorschijn.  
 
Mat 12:36
 
Maar ik zeg u: Van elk onbetekenend woord dat de mensen spreken zullen zij rekenschap afleggen op den Oordeelsdag;  
 
Mat 12:37
 
want op grond van uw woorden zult gij vrijgesproken, op grond van uw woorden veroordeeld worden.  
 
Mat 12:38
 
Eens spraken enige schriftgeleerden en Farizeen hem aldus aan: Meester, wij verlangen van u een teken te zien.  
 
Mat 12:39
 
Maar hij gaf hun ten antwoord: Een boos en overspelig geslacht zoekt een teken, en geen teken zal daaraan gegeven worden dan het teken van den profeet Jona.  
 
Mat 12:40
 
Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in den buik van den vis was, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn.  
 
Mat 12:41
 
De mannen van Nineve zullen bij het Gericht tegelijk met dit geslacht opstaan en het doen veroordelen; want zij bekeerden zich op de prediking van Jona, en zie, een grotere dan Jona is hier,  
 
Mat 12:42
 
De koningin van het Zuiderland zal bij het Gericht tegelijk met dit geslacht opgewekt worden en het doen veroordelen; want zij kwam van het einde der aarde om de wijsheid van Salomo aan te horen, en zie, een grotere dan Salomo is hier.  
 
Mat 12:43
 
Wanneer een onreine geest van een mens is uitgegaan, dan doorkruist hij dorre streken om een rustplaats te zoeken, en vindt die niet.  
 
Mat 12:44
 
Dan zegt hij: Ik zal weerkeren naar mijn huis, waarvan ik ben uitgegaan. Komt hij daar, zo vindt hij het als op een rustdag geveegd en versierd.  
 
Mat 12:45
 
Nu gaat hij zeven andere geesten halen, nog bozer dan hijzelf; zij komen binnen en nemen daar hun intrek. Zo wordt het eind van dien mens erger dan het begin. Aldus zal het ook met dit boze geslacht gaan.  
 
Mat 12:46
 
Terwijl hij nog tot de scharen sprak, zie, zijn moeder en broeders stonden buiten, trachtend hem te spreken.  
 
Mat 12:47
 
En iemand zeide tot hem: Daar buiten staan uw moeder en broeders; zij willen u spreken.  
 
Mat 12:48
 
Maar hij gaf aan den man die hem dit zeide ten antwoord: Wie is mijn moeder, en wie zijn mijn broeders?  
 
Mat 12:49
 
En zijn hand over zijn leerlingen uitstrekkend, zeide hij: Ziehier mijn moeder en mijn broeders:  
 
Mat 12:50
 
want alwie den wil van mijn Vader die in de hemelen is doet, die is mijn broeder, zuster, moeder.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Malachi 1Matthew 111 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 Matthew 13Mark 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards