All NT OTBook
Compare Texts
Leviticus 1 Numbers 32

Numbers 33:1-56

Numbers 34 Deuteronomy 1

Hollands LEI

 
 
 
Num 33:1
 
Dit zijn de halten der Israelieten, die, in legerscharen afgedeeld, onder leiding van Mozes en Aaron, uit Egypte trokken.  
 
Num 33:2
 
Mozes schreef de plaatsen op van waar zij uittrokken, van halte tot halte, naar 's Heeren bevel. Dit zijn dan hun halten, naar de plaatsen waaruit zij trokken.  
 
Num 33:3
 
Zij braken op uit Raamses in de eerste maand, op den vijftienden dag dier eerste maand; den dag na het pascha trokken de Israelieten uit met opgeheven hand ten aanschouwen van alle Egyptenaren,  
 
Num 33:4
 
terwijl de Egyptenaren hen die de Heer onder hen verslagen had, alle eerstgeborenen, begroeven; ook aan hun goden had de Heer strafgerichten voltrokken.  
 
Num 33:5
 
De Israelieten braken dan op uit Raamses en legerden zich in Sukkoth;  
 
Num 33:6
 
zij braken op uit Sukkoth en legerden zich in Etham, dat aan den rand der woestijn ligt;  
 
Num 33:7
 
zij braken op uit Etham en keerden om naar Pi-hahiroth, dat voor Baal-sefon ligt, en legerden zich voor Migdol;  
 
Num 33:8
 
zij braken op uit Pi-hahiroth, trokken door de zee naar de woestijn, gingen drie dagen door de woestijn van Etham en legerden zich in Mara;  
 
Num 33:9
 
zij braken op uit Mara en kwamen in Elim, waar twaalf waterbronnen en zeventig palmen waren, en legerden zich aldaar;  
 
Num 33:10
 
zij braken op uit Elim en legerden zich aan de Schelfzee;  
 
Num 33:11
 
zij braken op van de Schelfzee en legerden zich in de woestijn Sin;  
 
Num 33:12
 
zij braken op uit de woestijn Sin en legerden zich in Dofka;  
 
Num 33:13
 
zij braken op uit Dofka en legerden zich in Alus;  
 
Num 33:14
 
zij braken op uit Alus en legerden zich in Rafidim, waar het volk geen water had om te drinken;  
 
Num 33:15
 
zij braken op uit Rafidim en legerden zich in de woestijn van den Sinai;  
 
Num 33:16
 
zij braken op uit de woestijn van den Sinai en legerden zich in Kibroth-hattaawa;  
 
Num 33:17
 
zij braken op uit Kibroth-hattaawa en legerden zich in Haseroth;  
 
Num 33:18
 
zij braken op uit Haseroth en legerden zich in Rithma;  
 
Num 33:19
 
zij braken op uit Rithma en legerden zich in Rimmon-Peres;  
 
Num 33:20
 
zij braken op uit Rimmon-Peres en legerden zich in Libna;  
 
Num 33:21
 
zij braken op uit Libna en legerden zich in Rissa;  
 
Num 33:22
 
zij braken op uit Rissa en legerden zich in Kehelath;  
 
Num 33:23
 
zij braken op uit Kehelath en legerden zich in Har-sjefer;  
 
Num 33:24
 
zij braken op uit Har-sjefer en legerden zich in Harad;  
 
Num 33:25
 
zij braken op uit Harad en legerden zich in Makheloth;  
 
Num 33:26
 
zij braken op uit Makheloth en legerden zich in Tehath;  
 
Num 33:27
 
zij braken op uit Tehath en legerden zich in Terah;  
 
Num 33:28
 
zij braken op uit Terah en legerden zich in Mithka;  
 
Num 33:29
 
zij braken op uit Mithka en legerden zich in Hasmon;  
 
Num 33:30
 
zij braken op uit Hasmon en legerden zich in Mozeroth;  
 
Num 33:31
 
zij braken op uit Mozeroth en legerden zich in Bene-Jaakan;  
 
Num 33:32
 
zij braken op uit Bene-Jaakan en legerden zich in Hor-haggidgad;  
 
Num 33:33
 
zij braken op uit Hor-haggidgad en legerden zich in Jotbath;  
 
Num 33:34
 
zij braken op uit Jotbath en legerden zich in Abron;  
 
Num 33:35
 
zij braken op uit Abron en legerden zich in Esjon-geber;  
 
Num 33:36
 
zij braken op uit Esjon-geber en legerden zich in de woestijn Tsin, dat is Kades;  
 
Num 33:37
 
zij braken op uit Kades en legerden zich aan den berg Hor, aan den rand van het land der Edomieten.  
 
Num 33:38
 
En de priester Aaron beklom den berg Hor, naar 's Heeren last, en stierf daar, in het veertigste jaar van den uittocht der Israelieten uit Egypteland, in de vijfde maand, op den eersten dag der maand.  
 
Num 33:39
 
Aaron was honderd drie en twintig jaar oud toen hij op den berg Hor stierf.  
 
Num 33:40
 
En de Kanaaniet, de koning van Arad--hij woonde in het zuiden, in het land Kanaan--hoorde dat de Israelieten gekomen waren.  
 
Num 33:41
 
Zij braken op van den berg Hor en legerden zich in Salmon;  
 
Num 33:42
 
zij braken op uit Salmon en legerden zich in Punon;  
 
Num 33:43
 
zij braken op uit Punon en legerden zich in Oboth;  
 
Num 33:44
 
zij braken op uit Oboth en legerden zich in Ijje-haabarim, aan de grens van Moab;  
 
Num 33:45
 
zij braken op uit Ijjim en legerden zich in Dibon van Gad;  
 
Num 33:46
 
zij braken op uit Dibon van Gad en legerden zich in Almon-diblathaim;  
 
Num 33:47
 
zij braken op uit Almon-diblathaim en legerden zich bij het gebergte Abarim voor Nebo;  
 
Num 33:48
 
zij braken op van het gebergte Abarim en legerden zich in de vlakte van Moab, aan den Jordaan bij Jericho.  
 
Num 33:49
 
Zij legerden zich aan den Jordaan van Beth-hajjesjimoth tot Abel-hassjittim in de vlakte van Moab.  
 
Num 33:50
 
De Heer sprak tot Mozes in de vlakte van Moab, aan den Jordaan bij Jericho: Spreek tot de Israelieten en zeg hun:  
 
Num 33:51
 
Wanneer gij, den Jordaan overtrekkende, het land Kanaan ingaat,  
 
Num 33:52
 
zult gij alle inwoners des lands voor u uit verdrijven en al hun gebeeldhouwde stenen vernielen, ook al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten verwoesten.  
 
Num 33:53
 
Gij zult het land in bezit nemen en u daarin vestigen; want u heb ik het land gegeven, om het erfelijk te bezitten.  
 
Num 33:54
 
Dan zult gij het land door het lot onder uw geslachten verdelen; aan een groot geslacht zult gij een groot erfdeel, aan een klein een klein toewijzen; ieder zal het deel krijgen waarop voor hem het lot valt; onder uw voorvaderlijke stammen zult gij het verdelen.  
 
Num 33:55
 
En indien gij niet al de inwoners des lands voor u uit verdrijft, dan zullen zij die gij van hen overlaat u zijn tot doornen in bet oog en prikkelen in de zijde: zij zullen u benauwen in het land waarin gij u gaat vestigen.  
 
Num 33:56
 
En zoals ik hun toegedacht had zal ik u doen.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Leviticus 1Numbers 322 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 Numbers 34Deuteronomy 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards