All NT OTBook
Compare Texts
Leviticus 1 Numbers 15

Numbers 16:1-50

Numbers 17 Deuteronomy 1

Hollands LEI

 
 
 
Num 16:1
 
Korah, de zoon van Jishar, den zoon van Kehath, den zoon van Levi, en Dathan en Abiram, de zonen van Eliab, den zoon van Pallu, den zoon van Ruben,  
 
Num 16:2
 
kwamen in opstand tegen Mozes, met tweehonderd vijftig mannen uit de Israelieten, vorsten der gemeente, opgeroepenen tot de volksvergadering, mannen van naam;  
 
Num 16:3
 
zij spanden samen tegen Mozes en Aaron en zeiden tot hen: Het is nu genoeg! Want van de gehele gemeente zijn alle leden heilig, en in hun midden is de Heer; waarom verheft gij u dan boven 's Heeren vergadering?  
 
Num 16:4
 
Toen Mozes dit hoorde, viel hij op zijn aangezicht  
 
Num 16:5
 
en sprak daarna tot Korah en al zijn medestanders: Morgen zal de Heer bekendmaken, wie hem toebehoort, wie de heilige is en wien hij tot zich doet naderen, wien hij uitkiest, dien zal hij tot zich doen naderen.  
 
Num 16:6
 
Doet het volgende: Neemt gij allen, Korah en al zijn medestanders,  
 
Num 16:7
 
morgen vuurpannen, doet er vuur in en legt er wierook op voor des Heeren aangezicht; dan zal de man dien de Heer verkiest de heilige zijn. Het is nu genoeg, Levieten!  
 
Num 16:8
 
En Mozes zeide tot Korah: Hoort toch, Levieten!  
 
Num 16:9
 
is het u niet genoeg, dat de god Israels u afgezonderd heeft uit de gemeente van Israel om u tot zich te doen naderen, het werk aan des Heeren tabernakel te verrichten, en voor de gemeente te staan om haar te bedienen--  
 
Num 16:10
 
en zo u en al uw broeders de Levieten, met u heeft doen naderen--dat gij ook nog naar het priesterschap staat?  
 
Num 16:11
 
Daarom, gij en al uw medestanders rot tegen den Heer samen; Aaron toch, wie is hij dat gij tegen hem zoudt morren?  
 
Num 16:12
 
Toen liet Mozes Dathan en Abiram, de zonen van Eliab, roepen; maar zij zeiden: Wij willen niet komen.  
 
Num 16:13
 
Is het niet genoeg, dat gij ons uit een land overvloeiende van melk en honing hebt opgevoerd, om ons in de woestijn te doen sterven, dat gij den baas over ons speelt, ja zeker, den baas speelt?  
 
Num 16:14
 
Gij hebt ons waarlijk niet gebracht naar een land overvloeiende van melk en honing, noch ons een erve van akkers en wijngaarden gegeven. Wilt gij de ogen dezer mannen uitgraven? Wij komen niet!  
 
Num 16:15
 
Toen ontstak Mozes in hevigen toorn en hij zeide tot den Heer: Wend u niet tot hun offer; niet een ezel heb ik van hen weggenomen, niet een hunner kwaad gedaan.  
 
Num 16:16
 
En Mozes zeide tot Korah: Zorg, dat gij u morgen met al uw medestanders voor den Heer bevindt, gij en zij, benevens Aaron.  
 
Num 16:17
 
Ieder uwer neme zijn vuurpan, legge er wierook op en brenge zijn vuurpan voor den Heer, tweehonderd vijftig vuurpannen; ook gij en Aaron, ieder zijn vuurpan.  
 
Num 16:18
 
Zo namen zij allen hun vuurpannen, deden er vuur in, legden er wierook op en gingen aan den ingang van de tent der samenkomst staan; desgelijks Mozes en Aaron.  
 
Num 16:19
 
Als nu Korah de gehele gemeente tegen hen aan den ingang van de tent der samenkomst vergaderd had, vertoonde zich des Heeren heerlijkeid aan de gehele gemeente.  
 
Num 16:20
 
En de Heer sprak tot Mozes en Aaron:  
 
Num 16:21
 
Zondert u uit het midden dezer gemeente af, en ik zal haar in een oogwenk verteren.  
 
Num 16:22
 
Toen vielen zij op hun aangezicht en zeiden: God, god der geesten van alle vlees! Zoudt gij, omdat die ene man zondigt, tegen de gehele gemeente vergramd zijn?  
 
Num 16:23
 
Toen zeide de Heer tot Mozes:  
 
Num 16:24
 
Zeg aan de gemeente: Gaat weg uit den omtrek der woning van Korah, Dathan en Abiram.  
 
Num 16:25
 
En Mozes maakte zich op, ging, gevolgd door de oudsten van Israel, tot Dathan en Abiram  
 
Num 16:26
 
en sprak tot de gemeente: Verwijdert u toch van de tenten dier goddeloze mannen en raakt niets van hetgeen hun toebehoort aan, om niet door al hun zonden om te komen.  
 
Num 16:27
 
Toen trokken zij zich terug uit den omtrek der woning van Korah, Dathan en Abiram, en Dathan en Abiram kwamen naar buiten en gingen aan den ingang hunner tenten staan, met hun vrouwen, zonen en kleine kinderen.  
 
Num 16:28
 
Nu zeide Mozes: Hieraan zult gij erkennen, dat de Heer mij gezonden heeft om al deze werken te doen, en dat ik ze niet zelf bedacht heb:  
 
Num 16:29
 
indien dezen sterven zoals andere mensen en het gewone menschenlot hen treft, dan heeft de Heer mij niet gezonden.  
 
Num 16:30
 
Maar indien de Heer iets geheel nieuws schept, de grond zijn muil openspert en hen met al de hunnen verslindt, zodat zij levend in het schimmenrijk dalen, dan zult gij erkennen dat deze mannen den Heer gesmaad hebben.  
 
Num 16:31
 
Nauwelijks had hij al deze woorden ten einde gebracht, of de grond onder hen spleet vaneen,  
 
Num 16:32
 
de aarde opende haar mond en verslond hen met hun gezinnen, alle mensen die bij Korah behoorden en al hun have.  
 
Num 16:33
 
Zo daalden zij met al de hunnen levend in het schimmenrijk; de aarde bedekte hen, en zij waren verdwenen uit het midden der vergadering.  
 
Num 16:34
 
En alle Israelieten in hun omgeving vloden op hun geroep; want zij zeiden: Als de aarde ons ook maar niet verslindt!  
 
Num 16:35
 
Toen ging een vuur uit van den Heer en verteerde de tweehonderd en vijftig mannen die den wierook brachten;  
 
Num 16:36
 
waarop de Heer tot Mozes sprak:  
 
Num 16:37
 
Zeg aan Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, dat hij de vuurpannen uit den brand oprape en het vuur ver wegwerpe; want de vuurpannen dezer zondaren zijn ten koste van hun leven heilig geworden.  
 
Num 16:38
 
Men zal ze tot bladen pletten en er een overtreksel voor het altaar van maken; want, dewijl zij ze voor 's Heeren aangezicht hebben gebracht, zijn ze heilig geworden. En zij moeten den Israelieten tot een teken zijn.  
 
Num 16:39
 
Zo nam Eleazar, de zoon van Aaron, den priester, de koperen vuurpannen die de verbranden gebracht hadden, en men plette ze tot een overtreksel voor het altaar,  
 
Num 16:40
 
tot een herinnering voor de Israelieten, dat toch geen leek, een die niet uit de nakomelingen van Aaron is, zou naderen, om voor 's Heeren aangezicht te wierooken; opdat het hun niet vergaan mocht als Korah en zijn medestanders; zoals de Heer door Mozes tot hem gesproken had.  
 
Num 16:41
 
Des anderen daags morde de gehele gemeente der Israelieten tegen Mozes en Aaron en zeide: Gij hebt 's Heeren volk om het leven gebracht.  
 
Num 16:42
 
Toen nu de gemeente samenspande tegen Mozes en Aaron, keerden zij zich naar de tent der samenkomst, en zie, de wolk bedekte haar, en 's Heeren heerlijkheid vertoonde zich.  
 
Num 16:43
 
Nu traden Mozes en Aaron tot voor de tent der samenkomst,  
 
Num 16:44
 
en de Heer sprak tot Mozes:  
 
Num 16:45
 
Trekt u terug uit het midden dezer gemeente; opdat ik ze in een oogwenk vertere. Maar zij vielen op hun aangezicht,  
 
Num 16:46
 
en Mozes zeide tot Aaron: Neem de vuurpan, doe er vuur van het altaar in, leg er wierook op, ga ijlings tot de gemeente en bewerk verzoening voor haar; want de gramschap is van voor den Heer uitgegaan: de plaag is reeds begonnen.  
 
Num 16:47
 
En Aaron nam de vuurpan, zoals Mozes hem bevolen had, en liep ijlings midden in de vergadering, en ja waarlijk, de plaag was onder het volk reeds begonnen! Toen legde hij den wierook op het vuur en bewerkte verzoening voor het volk.  
 
Num 16:48
 
Terwijl hij tussen de doden en de levenden stond, hield de plaag op.  
 
Num 16:49
 
Het aantal dergenen die in die plaag omgekomen zijn is veertienduizend zevenhonderd, buiten degenen die ter zake van Korah gestorven waren.  
 
Num 16:50
 
Hierop keerde Aaron tot Mozes naar den ingang van de tent der samenkomst terug; de plaag was gestuit.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Leviticus 1Numbers 151 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 Numbers 17Deuteronomy 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards