All NT OTBook
Compare Texts
Leviticus 1 Numbers 9

Numbers 10:1-36

Numbers 11 Deuteronomy 1

Hollands LEI

 
 
 
Num 10:1
 
De Heer sprak tot Mozes:  
 
Num 10:2
 
Maak twee zilveren trompetten; van gedreven werk zult gij ze maken; zij zullen u dienen om de gemeente samen te roepen en de kampen te doen opbreken.  
 
Num 10:3
 
Wanneer men beide steekt, zal de gehele gemeente bij u samenkomen aan den ingang van de tent der samenkomst;  
 
Num 10:4
 
en wanneer men een van beide steekt, zullen de vorsten, de hoofden van Israels stammen, bij u samenkomen.  
 
Num 10:5
 
Blaast gij alarm, dan zullen de kampen aan de oostzijde opbreken;  
 
Num 10:6
 
blaast gij ten tweeden male alarm, dan zullen de kampen aan de zuidzijde opbreken; blaast gij ten derden male alarm, dan zullen de kampen aan de westzijde opbreken; blaast gij ten vierden male alarm, dan zullen de kampen aan de noordzijde opbreken. Alarm blazen dient tot sein voor het opbreken;  
 
Num 10:7
 
maar om de vergadering te doen bijeenkomen zult gij ze steken, geen alarm blazen.  
 
Num 10:8
 
Aarons zonen, de priesters, zullen de trompetten steken, en deze zullen u zijn tot een eeuwige inzetting, ook voor uw nageslacht.  
 
Num 10:9
 
En indien gij in uw land in oorlog geraakt met een vijand die u in het nauw brengt, dan zult gij op de trompetten alarm blazen, en zo u in gedachtenis brengen bij den Heer, uw god, en gered worden van uw vijanden.  
 
Num 10:10
 
Ook zult gij op uw vreugdedagen, feestgetijden, nieuwemanen de trompetten steken bij uw brand offers en dankoffers; zij zullen dienen om u in gedachtenis te brengen bij uw god; ik ben de Heer, uw god.  
 
Num 10:11
 
In het tweede jaar, op den twintigsten der tweede maand, steeg de wolk op van boven den tabernakel der Geboden.  
 
Num 10:12
 
Toen braken de Israelieten in de voorgeschreven orde uit de woestijn van den Sinai op, en de wolk legerde zich in de woestijn Paran.  
 
Num 10:13
 
Dit was de eerste keer dat zij volgens hetgeen de Heer door Mozes bevolen had opbraken.  
 
Num 10:14
 
Voorop trok de banier van het kamp der zonen van Juda, in hun heirscharen ingedeeld,  
 
Num 10:15
 
en over hun heir was Nahsjon, de zoon van Amminadab; over het heir van den stam der zonen van Issachar was Nethaneel, de zoon van Suar,  
 
Num 10:16
 
en over het heir van den stam der zonen van Zebulon Eliab, de zoon van Helon.  
 
Num 10:17
 
Daarna werd de tabernakel afgebroken en braken de Gersjonieten en de Merarieten, den tabernakel dragende, op.  
 
Num 10:18
 
Dan trok de banier van het kamp der zonen van Ruben op, in hun heirscharen ingedeeld, en over hun heir was Elisoer, de zoon van Sjedeur;  
 
Num 10:19
 
en over het heir van den stam der zonen van Simeon was Sjelumiel, de zoon van Surisjaddai,  
 
Num 10:20
 
en over het heir der zonen van Gad Eljazaf, de zoon van Reuel.  
 
Num 10:21
 
Vervolgens braken de Kehathieten, het heilige dragende, op, en men richtte den tabernakel op voordat zij kwamen.  
 
Num 10:22
 
Voorts trok de banier van het kamp der zonen van Efraim op in hun heirscharen ingedeeld, en over hun heir was Elisjama, de zoon van Ammihud;  
 
Num 10:23
 
over het heir van den stam der zonen van Manasse was Gamliel, de zoon van Pedasur,  
 
Num 10:24
 
en over het heir van den stam der zonen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.  
 
Num 10:25
 
Daarna trok de banier van het kamp der zonen van Dan op, die, in hun heirscharen ingedeeld, de achterhoede van alle kampen uitmaakten, en over hun heir was Ahiezer, de zoon van Ammisjaddai;  
 
Num 10:26
 
over het heir van den stam der zonen van Azer was Paggiel, de zoon van Ochran,  
 
Num 10:27
 
en over het heir van den stam der zonen van Naftali was Ahira, de zoon van Enan.  
 
Num 10:28
 
Dit was de orde der Israelieten, in hun heiren ingedeeld; zo braken zij op.  
 
Num 10:29
 
Mozes zeide tot Hobab, den zoon van Reuel, den Midianiet, zijn schoonvader: Wij trekken naar de plaats waarvan de Heer heeft gezegd: Die zal ik u geven. Ga met ons, en wij zullen het goed met u maken; want de Heer heeft het goede aan Israel toegezegd.  
 
Num 10:30
 
Hij zeide tot hem: Ik trek niet mede; maar ik ga naar mijn land en dat mijner verwanten.  
 
Num 10:31
 
Doch Mozes zeide: Verlaat ons toch niet; want gij weet nu eens hoe wij ons in de woestijn moeten legeren, en kunt ons dus tot gids zijn.  
 
Num 10:32
 
En wanneer gij met ons gaat, dan zullen wij u deel geven aan het goede dat de Heer ons schenken zal.  
 
Num 10:33
 
Zij trokken dan van 's Heeren berg drie dagreizen ver, terwijl de ark des verbonds van den Heer voor hen uit trok, om voor hen een rustplaats uit te zoeken.  
 
Num 10:34
 
En de wolk des Heeren bleef des daags over hen, wanneer zij uit het kamp trokken.  
 
Num 10:35
 
Als dan de ark optrok, zeide Mozes: Sta op, Heer; opdat uw vijanden uiteenstuiven en uw haters voor u vluchten!  
 
Num 10:36
 
En als zij rust nam, zeide hij: Zet u neder, Heer, en zegen de stammen Israels!  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Leviticus 1Numbers 91 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 Numbers 11Deuteronomy 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards