| |
Hollands LEI |  | |
 |
| |
| | Jon 2:1 | En Jona bad in den buik van den vis tot den Heer, zijn god,
| |
| | Jon 2:2 | aldus: Toen het mij bange was, heb ik tot den Heer geroepen en heeft hij mij geantwoord; toen ik uit den schoot der onderwereld een kreet slaakte, hebt gij mij verhoord.
| |
| | Jon 2:3 | Gij hadt mij in een kolk, in het hart der zee, geworpen, stromen omvingen mij, al uw brandingen en golven gingen over mij heen.
| |
| | Jon 2:4 | Ik dacht: Verstoten ben ik uit uw oog; hoe zal ik ooit weer uw heilig paleis aanschouwen?
| |
| | Jon 2:5 | Wateren ombruisten mij en bedreigden mijn leven, de afgrond omving mij, zeewier wond zich om mijn hoofd.
| |
| | Jon 2:6 | Tot de grondslagen der bergen was ik neergedaald, de grendelen der aarde hadden voorgoed mij ingesloten; maar gij hebt mij levend uit den kuil opgetrokken, Heer, mijn god.
| |
| | Jon 2:7 | Toen mijn ziel in mij omneveld werd, dacht ik aan den Heer, en mijn gebed drong tot u door in uw heilig paleis.
| |
| | Jon 2:8 | Die op ijdele nietigheden achtslaan stoten hun geluk van zich;
| |
| | Jon 2:9 | maar ik wil u onder lofgezangen offers brengen, wat ik beloofd heb u betalen. De hulpe komt van den Heer.
| |
| | Jon 2:10 | Daarna spuwde de vis, op bevel van den Heer, Jona op het droge uit.
| |