All NT OTBook
Compare Texts
Lamentations 1 Ezekiel 33

Ezekiel 34:1-31

Ezekiel 35 Daniel 1

Hollands LEI

 
 
 
Eze 34:1
 
Het woord des Heeren kwam aldus tot mij.  
 
Eze 34:2
 
Menschenkind, profeteer tegen Israels herders, profeteer en zeg tot hen: Zo spreekt de Heere God: Wee over de herders van Israel die zichzelf weiden! Moeten herders niet de schapen weiden?  
 
Eze 34:3
 
Gij voeddet u met de melk en kleeddet u met de wol, de vette dieren slachttet gij, maar de schapen weiden deedt gij niet;  
 
Eze 34:4
 
het zwakke hebt gij niet gesterkt, het zieke niet genezen, het gebrokene niet verbonden, het verjaagde niet teruggebracht, het verdwaalde niet opgezocht, en het krachtvolle hebt gij tot harden arbeid gedwongen.  
 
Eze 34:5
 
Daarom zijn mijn schapen verstrooid zonder herder en tot spijs geworden voor al het wild gedierte;  
 
Eze 34:6
 
mijn schapen zijn gaan dolen op alle bergen en alle hooge heuvelen; ja, over de gehele oppervlakte der aarde zijn mijn schapen verstrooid, zonder dat iemand er naar omziet of ze opzoekt.  
 
Eze 34:7
 
Daarom, herders, hoort het woord des Heeren.  
 
Eze 34:8
 
Zo waar als ik leef, spreekt de Heere God, dewijl mijn schapen tot buit zijn geworden en tot spijs voor al het wild gedierte, zonderdat er een herder was, en de herders niet naar mijn schapen omgezien en zichzelf, niet mijn schapen, geweid hebben,  
 
Eze 34:9
 
daarom hoort, herders, het woord des Heeren.  
 
Eze 34:10
 
Zo spreekt de Heere God: Zie, ik zal die herders! En ik zal mijn schapen van hen opvorderen en hen ontzetten van het herdersambt: voortaan zullen die herders niet meer zichzelf weiden, maar ik zal mijn schapen uit hun muil redden, en zij zullen hun niet meer tot spijs dienen.  
 
Eze 34:11
 
Zo toch spreekt de Heere God: Hier ben ik; ik kom zelf naar mijn schapen omzien en ze opzoeken.  
 
Eze 34:12
 
Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, wanneer hij zich te midden zijner verspreide schapen bevindt, zo zal ik mijn schapen opzoeken en terechtbrengen uit alle plaatsen waarheen zij verstrooid zijn op een dag van wolken en duisternis;  
 
Eze 34:13
 
ik zal hen uitleiden uit de volken en herzamelen uit de landen, hen brengen naar hun grond en weiden op Israels bergen, in de kloven en alle bewoonbare streken des lands.  
 
Eze 34:14
 
Op een goed grasveld zal ik hen doen grazen en op Israels verheven berg zal hun verblijf zijn; daar zullen zij in een goed verblijf neerliggen, en op een vet grasveld zullen zij weiden, op Israels bergen.  
 
Eze 34:15
 
Ikzelf zal mijn schapen weiden, ikzelf hen doen neerliggen, spreekt de Heere God;  
 
Eze 34:16
 
het verdwaalde zal ik opzoeken, het verjaagde terugbrengen, het gebrokene verbinden, het zieke sterken, het vette en krachtvolle hoeden; ik zal ze weiden zoals het behoort.  
 
Eze 34:17
 
En ook bij uzelf, mijn schapen, spreekt de Heere God, kom ik richten tussen het ene schaap en het andere, met het oog op de rammen en bokken.  
 
Eze 34:18
 
Was het u niet genoeg dat gij op het beste deel der weide graasdet? moest gij het overige der weide vertrappen met uw poten? Niet genoeg dat gij het klaarste water dronkt? moest gij de rest met uw poten troebel maken;  
 
Eze 34:19
 
zodat mijn schapen het door uw poten vertrapte afweiden en het door uw poten troebel gemaakte drinken moesten?  
 
Eze 34:20
 
Daarom zegt de Heere God tot hen aldus: Zie, hier ben ik; ik kom richten tussen het vette en het magere schaap:  
 
Eze 34:21
 
omdat gij met zijde en schoft alle zwakken wegduwdet en met uw hoornen ze stiet, totdat gij ze buiten de weide verstrooid hadt,  
 
Eze 34:22
 
zal ik mijn schapen redden, zodat zij niet meer tot buit zijn, en richten tussen het ene schaap en het andere.  
 
Eze 34:23
 
En ik zal over hen een herder aanstellen, die hen zal weiden, mijn dienaar David; hij zal hen weiden, hij hun ten herder zijn.  
 
Eze 34:24
 
Ik, de Heer, zal hun ten God wezen, mijn dienaar David ten vorst in hun midden; ik, de Heer, heb het gesproken.  
 
Eze 34:25
 
Ook zal ik met hen een bond van vrede sluiten en de roofdieren uit het land wegdoen, zodat zij veilig zelfs in de woestijn wonen en in de wouden slapen kunnen.  
 
Eze 34:26
 
Dan zal ik hun rondom mijn heuvel zegen geven, en den regen op zijn tijd doen vallen; weldadige regenstromen zullen het zijn;  
 
Eze 34:27
 
zodat het geboomte des velds zijn vruchten en de aarde haar opbrengst zal geven. Zij zullen veilig zijn op hun grond, en weten dat ik de Heer ben, wanneer ik de stangen van hun juk verbreek en hen red uit de hand van hen die hen in slavernij hielden.  
 
Eze 34:28
 
Voortaan zullen zij niet ten buit voor de volken zijn, noch zal het wild gedierte hen opeten, maar zullen zij veilig wonen, zonderdat iemand hen opschrikt.  
 
Eze 34:29
 
Ik zal voor hen een schat van planten doen opschieten; zodat er in het land niet meer zijn zullen die van honger omkomen, en zij den smaad der volken niet meer dragen.  
 
Eze 34:30
 
Zo zullen zij weten dat ik, de Heer, hun god, met hen ben, en dat zij, het huis Israel, mijn volk zijn, spreekt de Heere God.  
 
Eze 34:31
 
Ja, mijn schapen, de schapen die ik weid, zijt gij, en ik ben uw god, spreekt de Heere God.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Lamentations 1Ezekiel 3314 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 Ezekiel 35Daniel 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards