All NT OTBook
Compare Texts
Isaiah 1 Jeremiah 3

Jeremiah 4:1-31

Jeremiah 5 Lamentations 1

Hollands LEI

 
 
 
Jer 4:1
 
Indien gij wederkeert, Israel, spreekt de Heer, tot mij wederkeert, uw gruwelen wegdoet uit mijn ogen, en niet afzwerft,  
 
Jer 4:2
 
maar naar waarheid, recht en billijkheid zweert: Zo waar als de Heer leeft! dan zullen natien met zijn naam zich zegen toebidden en met zijn naam zich beroemen.  
 
Jer 4:3
 
Want zo spreekt de Heer tot de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem: Ontgint u een akker, en zaait niet op doornen!  
 
Jer 4:4
 
Besnijdt u ter ere van den Heer, en doet de voorhuid uws harten weg, gij mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem; opdat niet mijn verbolgenheid zich als vuur een uitweg bane, en brande zonderdat iemand blust, vanwege de boosheid uwer handelingen.  
 
Jer 4:5
 
Meldt het in Juda, verkondigt het te Jeruzalem, en zegt: Steekt de bazuin in den lande! Roept met luider stem en zegt: Verzamelt u, en laten wij in de versterkte steden gaan!  
 
Jer 4:6
 
Trekt met opgestoken banier naar Sion; bergt u, staat niet stil! Want ik doe onheil komen uit het noorden, en een grote breuke.  
 
Jer 4:7
 
Een leeuw is opgekomen uit zijn kreupelhout, een volkenverderver opgebroken, uitgetrokken uit zijn plaats om uw land tot een woestenij te maken; uw steden worden tot puinhopen, onbewoond.  
 
Jer 4:8
 
Daarom, omgordt u met rouwkleederen, bedrijft misbaar en weeklaagt; want 's Heeren blakende toorn heeft zich niet van ons afgewend.  
 
Jer 4:9
 
Te dien dage, spreekt de Heer zullen de koning en de vorsten radeloos zijn, de priesters ontzet, de profeten verbijsterd staan.  
 
Jer 4:10
 
Toen zeide ik: Helaas, Heere God, waarlijk, gij hebt dit volk en Jeruzalem schromelijk misleid, zeggend: Gij zult vrede hebben--en zie, het zwaard raakt aan het leven.  
 
Jer 4:11
 
Te dier tijd zal het van dit volk en van Jeruzalem heten: een gloeiende wind van de kale plekken in de woestijn is het gedrag van de dochter mijns volks, een wind niet om te wannen noch om te zuiveren;  
 
Jer 4:12
 
een hevige wind waait van hen mij tegen. Thans zal ik op mijn beurt het vonnis over hen uitspreken.  
 
Jer 4:13
 
Zie, als een wolkgevaarte komt hij op, als een wervelwind zijn zijn wagens, vlugger dan arenden zijn paarden; wee ons! wij zijn der verdelging prijsgegeven.  
 
Jer 4:14
 
Was uw hart rein van boosheid, Jeruzalem; opdat gij gered moogt worden. Hoelang nog zullen boze overleggingen in uw boezem huizen?  
 
Jer 4:15
 
Want, hoor! men meldt uit Dan, men verkondigt van Efraims gebergte onheil.  
 
Jer 4:16
 
Aan Sion is bericht: Daar zijn zij! over Jeruzalem is verkondigd: Daar komen vijanden uit verren lande; zij hebben tegen Juda's steden de stem verheven;  
 
Jer 4:17
 
als wachters van een veld hebben zij haar omsingeld; omdat zij tegen mij weerspannig is geweest, spreekt de Heer.  
 
Jer 4:18
 
Uw handel en wandel heeft u dit berokkend; dat komt nu van uw boosheid! Bitter toch is het; want het raakt aan uw hart.  
 
Jer 4:19
 
Mijn binnenste, mijn binnenste! ik lijd smart aan de wanden mijns harten; hoe bonst mijn hart! ik kan niet zwijgen; want mijn ziel hoort steeds het geschal der bazuin, het geschreeuw van den krijg.  
 
Jer 4:20
 
De ene breuke volgt op de andere; want het ganse land is der verdelging prijsgegeven; plotseling zijn mijn tenten verdelgd, in een oogwenk al mijn gordijnen.  
 
Jer 4:21
 
Hoelang nog moet ik de banier zien, het geschal der bazuin horen?  
 
Jer 4:22
 
Want mijn volk is dwaas: mij kennen zij niet; onverstandige kinderen zijn het, van doorzicht verstoken; zij zijn kundig in het kwaaddoen, maar goedhandelen, dat verstaan zij niet.  
 
Jer 4:23
 
Ik zag naar de aarde--zij was een baaierd; naar den hemel--zijn licht was er niet;  
 
Jer 4:24
 
ik zag naar de bergen--zij daverden, en alle heuvelen schudden dooreen;  
 
Jer 4:25
 
ik zag toe--mensen waren er niet, en al het gevogelte des hemels was weggevlogen;  
 
Jer 4:26
 
ik zag toe--de gaard was woestijn, en alle steden waren in puinhopen verkeerd, vanwege den Heer, vanwege zijn blakenden toorn.  
 
Jer 4:27
 
Want zo zegt de Heer: Een wildernis zal het ganse land zijn, ofschoon ik het niet volslagen te gronde zal richten.  
 
Jer 4:28
 
Daarover rouwe de aarde en worde de hemel daarboven verduisterd; want ik heb het gezegd en er niet weer van afgezien, ik heb het beraamd en zal er niet van terugkomen.  
 
Jer 4:29
 
Voor het geluid der ruiters en boogschutters gaat het ganse land op de vlucht: men verbergt zich in de spelonken en klimt op de rotsen; elke stad is verlaten, niemand woont er meer in.  
 
Jer 4:30
 
En gij, ter verdelging bestemde, wat zult gij doen? Al kleedt gij u in purper, al tooit gij u met gouden sieradien, al verwijdt gij uw ogen met blanketsel, het is vergeefs dat gij u opschikt; uw boelen versmaden u, zij staan u naar het leven.  
 
Jer 4:31
 
Want ik hoor gekerm als van een die weeen heeft, angstkreten als van een die voor het eerst baart; het is Sions dochter, die naar adem hijgt, de handen uitbreidt: Wee mij! machteloos ben ik aan moordenaars overgeleverd.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Isaiah 1Jeremiah 31 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 Jeremiah 5Lamentations 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards