All NT OTBook
Compare Texts
Isaiah 1 Jeremiah 32

Jeremiah 33:1-26

Jeremiah 34 Lamentations 1

Hollands LEI

 
 
 
Jer 33:1
 
Het woord des Heeren nu kwam ten tweeden male tot Jeremia, terwijl hij nog opgesloten was in den gevangenhof:  
 
Jer 33:2
 
Zo zegt de Heer, de maker der aarde, die haar formeerde om haar vast te zetten; Heer is zijn naam:  
 
Jer 33:3
 
Roep tot mij, zo zal ik u antwoorden, en u grote dingen meedelen, geheimen, die gij niet wist.  
 
Jer 33:4
 
Want zo zegt de Heer, Israels god, aangaande de huizen dezer stad en de paleizen van Juda's koningen, prijsgegeven aan de belegeringswallen en het zwaard:  
 
Jer 33:5
 
De Chaldeen komen om te strijden en ze te vullen met de lijken der mensen die ik in mijn toorn en mijn verbolgenheid heb verslagen, en om wier boosheid ik mijn aangezicht voor deze stad verborgen heb.  
 
Jer 33:6
 
Zie, ik doe voor haar opkomen heelvlees en genezing, en ik zal haar genezen; ik zal haar ontdekken de paden van vrede en duurzaamheid.  
 
Jer 33:7
 
Het lot van Juda en van Israel zal ik wenden en hen opbouwen als weleer;  
 
Jer 33:8
 
ik zal hen reinigen van al de schuld die zij tegenover mij op zich hebben geladen, al de ongerechtigheden en den afval hun vergeven waaraan zij tegenover mij schuldig staan.  
 
Jer 33:9
 
En zij zal mij worden tot roem en vreugd, lof en glorie, bij alle volken der aarde, die, horend wat al goeds ik hun doe, zullen beven en sidderen van al het goede en al den vrede dien ik hun schenk.  
 
Jer 33:10
 
Zo zegt de Heer: In deze streek, waarvan gij zegt: Zij ligt woest, zonder mensen of vee--in Juda's steden en Jeruzalems straten, die verwoest zijn, zonder mensen, zonder inwoners of vee, zal men wederom horen  
 
Jer 33:11
 
de tonen van blijdschap en vroolijkheid, de tonen van bruidegom en bruid, de tonen van hen die zeggen: Looft den Heer der heirscharen; want de Heer is goed; want eeuwig duurt zijn goedertierenheid! terwijl zij lofoffers brengen in het huis des Heeren. Want ik zal het lot des lands wenden, als weleer, zegt de Heer.  
 
Jer 33:12
 
Zo zegt de Heer der heirscharen: Wederom zal in deze streek, die woest ligt, zonder mens of vee, en in al haar steden, een woonstede zijn voor herders die de kudden doen legeren;  
 
Jer 33:13
 
in de steden van het Gebergte, van de Laagte en van het Zuiden, in het land van Benjamin, in Jeruzalems omstreken en Juda's steden zullen wederom de kudden aan den teller voorbijtrekken, zegt de Heer.  
 
Jer 33:14
 
Zie, de dagen komen, spreekt de Heer, dat ik de belofte zal gestanddoen, aangaande het huis Israel en het huis Juda gedaan:  
 
Jer 33:15
 
In die dagen en te dier tijd zal ik van David een rechtschapen spruit doen uitlopen, die recht en gerechtigheid zal oefenen in den lande.  
 
Jer 33:16
 
In die dagen zal Juda gered worden en Jeruzalem onbezorgd wonen, en men zal het noemen: De Heer is onze gerechtigheid.  
 
Jer 33:17
 
Want zo zegt de Heer: Nooit zal een afstammeling van David ontbreken om te zitten op den troon van het huis Israel.  
 
Jer 33:18
 
En nooit zal voor mijn aangezicht een Levietisch priester ontbreken om een brandoffer te doen opstijgen, een meeloffer te ontsteken, een slachtoffer te brengen; neen, nooit.  
 
Jer 33:19
 
Het woord des Heeren kwam tot Jeremia:  
 
Jer 33:20
 
Zo zegt de Heer: Indien mijn verbond met den dag en den nacht kan tenietgedaan worden, zodat het niet meer is dag en nacht, elk op zijn tijd,  
 
Jer 33:21
 
dan zal ook mijn verbond met mijn dienaar David worden tenietgedaan, zodat hij geen zoon meer heeft die koning is op zijn troon, en dat met de priesterlijke Levieten, die mij dienen.  
 
Jer 33:22
 
Evenals het heir des hemels niet geteld en het zand der zee niet gemeten kan worden, zo zal ik het nakroost van mijn dienaar David vermenigvuldigen, en de Levieten, die mij dienen.  
 
Jer 33:23
 
Het woord des Heeren kwam tot Jeremia:  
 
Jer 33:24
 
Hebt gij niet opgemerkt, wat dat volk heeft gezegd: De beide geslachten welke de Heer had uitverkoren, die heeft hij versmaad? Zo hoonen zij mijn volk, dat het geen natie meer voor mijn aangezicht zou zijn.  
 
Jer 33:25
 
Zo zegt de Heer: Indien ik niet mijn verbond met den dag en den nacht, niet de inzettingen van hemel en aarde gestanddoe,  
 
Jer 33:26
 
dan zal ik ook het nakroost van Jakob en van mijn dienaar David versmaden, zodat ik niet meer uit zijn kroost neem die heersen over het kroost van Abraham, Izaak en Jakob. Want ik zal hun lot wenden en mij hunner erbarmen.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Isaiah 1Jeremiah 3216 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 Jeremiah 34Lamentations 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards