All NT OTBook
Compare Texts
Isaiah 1 Jeremiah 24

Jeremiah 25:1-38

Jeremiah 26 Lamentations 1

Hollands LEI

 
 
 
Jer 25:1
 
Het woord dat tot Jeremia kwam aangaande het ganse volk Juda, in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Jozia, den koning van Juda--het eerste jaar van Nebukadresar, den koning van Babel--  
 
Jer 25:2
 
hetwelk de profeet Jeremia tot het ganse volk Juda en al de inwoners van Jeruzalem heeft gesproken:  
 
Jer 25:3
 
Van het dertiende jaar van Jozia, den zoon van Amon, den koning van Juda, tot heden, nu drie en twintig jaren lang, is het woord des Heeren tot mij gekomen, en heb ik tot u gesproken onverdroten; doch gij hebt niet geluisterd.  
 
Jer 25:4
 
De Heer zond tot u al zijn dienaren, de profeten, onverdroten--doch gij hebt niet geluisterd noch uw oor geneigd tot luisteren--  
 
Jer 25:5
 
met de woorden: Bekeert u toch van uw slechten weg en de boosheid uwer handelingen; zo zult gij blijven wonen op den grond dien de Heer aan u en uw vaderen heeft gegeven, eeuw in eeuw uit.  
 
Jer 25:6
 
En loopt geen andere goden na, ze dienend en u voor hen neerwerpend, en tergt mij niet met uwer handen maaksel; opdat ik u geen leed doe.  
 
Jer 25:7
 
Doch gij hebt niet naar mij geluisterd, spreekt de Heer; om mij te tergen met uwer handen maaksel, u ten verderve.  
 
Jer 25:8
 
Daarom spreekt de Heer der heirscharen aldus: Omdat gij naar mijn woorden niet geluisterd hebt,  
 
Jer 25:9
 
ga ik ontbieden mijn dienaar Nebukadresar, den koning van Babel, en zal ik halen al de volksstammen van het noorden, spreekt de Heer, en hen brengen over dit land en zijn bewoners en over al de omwonende volken, die ik met den ban zal slaan en stellen tot een voorwerp van ontzetting, gesis en eeuwigdurenden smaad.  
 
Jer 25:10
 
Ik zal bij hen doen verdwijnen de tonen van blijdschap en vroolijkheid, de tonen van bruidegom en bruid, den geur der mirre en het schijnsel der lamp.  
 
Jer 25:11
 
Dit ganse land zal een puinhoop en een woestenij worden, en deze volken zullen den koning van Babel zeventig jaren dienen.  
 
Jer 25:12
 
Maar zodra zeventig jaren verlopen zijn, zal ik verhalen op den koning van Babel en op dat volk, spreekt de Heer, hun schuld, ook op het land der Chaldeen, dat ik tot een eeuwigdurende wildernis maken zal.  
 
Jer 25:13
 
En ik zal over dat land al mijn woorden doen komen die ik er tegen gesproken heb--alwat geschreven is in dit boek, wat Jeremia tegen al de volken heeft geprofeteerd.  
 
Jer 25:14
 
Want ook zij zullen door machtige volken en grote koningen dienstbaar gemaakt zijn; zo zal ik hun vergelden naar hun doen, naar hunner handen werk.  
 
Jer 25:15
 
Want zo sprak de Heer, Israels god, tot mij: Neem dezen beker met schuimenden wijn uit mijn hand, en laat al de volken tot wie ik u zend dien drinken;  
 
Jer 25:16
 
zij zullen drinken, waggelen, als razenden worden vanwege het zwaard dat ik onder hen zend.  
 
Jer 25:17
 
Toen nam ik den beker uit 's Heeren hand en liet al de volken tot wie hij mij gezonden had drinken:  
 
Jer 25:18
 
Jeruzalem, benevens de steden, koningen en vorsten van Juda, om hen te maken tot een woestenij, tot een voorwerp van ontzetting, gesis en vervloeking, gelijk het is te dezen dage;  
 
Jer 25:19
 
voorts Farao, den koning van Egypte, met zijn dienaren, zijn vorsten, zijn ganse volk  
 
Jer 25:20
 
en al het volk van gemengden bloede; al de koningen van het land Us, en al de koningen van het land der Filistijnen: Askelon, Gaza, Ekron en het overschot van Asdod;  
 
Jer 25:21
 
ook Edom, Moab en de Ammonieten;  
 
Jer 25:22
 
al de koningen van Tyrus, die van Sidon en die van het kustland, aan de overzijde der zee;  
 
Jer 25:23
 
Dedan, Tema, Buz en allen die zich de slapen kaalscheren;  
 
Jer 25:24
 
al de koningen van Arabie, die in de woestijn wonen;  
 
Jer 25:25
 
al de koningen van Zimri, die van Elam en die van Medie;  
 
Jer 25:26
 
en al de koningen van het noorden, die nabij elkander en die ver van elkander zijn, alle koninkrijken die op den aardbodem zijn; en de koning van Sjesjach zal het laatst drinken.  
 
Jer 25:27
 
En gij moet tot hen zeggen: Zo spreekt de Heer der heirscharen, Israels god: Drinkt, wordt dronken en spuwt; en valt om niet weer op te staan, vanwege het zwaard dat ik onder u zend.  
 
Jer 25:28
 
En wanneer zij weigeren den beker uit uw hand te nemen om te drinken, moet gij tot hen zeggen: Zo spreekt de Heer der heirscharen: Drinken zult gij!  
 
Jer 25:29
 
Want zie, bij de stad over welke mijn naam is uitgeroepen maak ik een aanvang met onheil brengen; en gij zoudt ongestraft blijven? Zeer zeker niet. Want het zwaard ontbied ik over alle bewoners der aarde, spreekt de Heer der heirscharen.  
 
Jer 25:30
 
Gij dan, profeteer tegen hen dit alles, en zeg hun: De Heer brult uit den hooge, uit zijn heilige woning doet hij zich horen; geweldig brult hij tegen zijn woonstede; een juichtoon als dien der wijntreders heft hij aan tegen alle bewoners der aarde.  
 
Jer 25:31
 
Krijgsgeschreeuw weerklinkt tot aan des aardrijks einde; want de Heer heeft een geding met de volkeren, hij vonnist alle vlees, de schuldigen levert hij over aan het zwaard, spreekt de Heer.  
 
Jer 25:32
 
Zo zegt de Heer der heirscharen: Zie, onheil gaat uit van volk tot volk, een zware storm steekt op van het uiteinde der aarde;  
 
Jer 25:33
 
en 's Heeren verslagenen zullen te dien dage liggen van het ene eind der aarde tot het andere; men zal geen rouw over hen bedrijven, hen niet opnemen noch begraven: tot mest over den aardbodem zullen zij zijn.  
 
Jer 25:34
 
Weeklaagt, gij herders, en schreeuwt het uit! bestrooit u met as, machthebbers der schapen! want uw tijd is daar om geslacht, om verstrooid te worden, en gij zult vallen als kostelijke hamels.  
 
Jer 25:35
 
Geen toevlucht meer voor de herders, geen ontkomen voor de machthebbers der schapen.  
 
Jer 25:36
 
Hoor! geschreeuw van de herders, geweeklaag van de machthebbers der schapen; omdat de Heer hun kudde verdelgt.  
 
Jer 25:37
 
Doods worden de vredige oasen, vanwege den blakenden toorn van den Heer.  
 
Jer 25:38
 
De jonge leeuw heeft zijn kreupelhout verlaten; want hun land is een woestenij geworden, vanwege het woeden des zwaards en vanwege zijn blakenden toorn.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Isaiah 1Jeremiah 248 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 Jeremiah 26Lamentations 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards